John Le Carré met Goethe en Schiller op de barricaden

29/08/11 om 16:37 - Bijgewerkt om 16:37

Toen John le Carré gisteren in Weimar met de Goethemedaille werd gelauwerd, vertelde hij enkele anekdotes. Bijvoorbeeld hoe hij in 1949 in Bern de hand van Thomas Mann heeft geschud.

John Le Carré met Goethe en Schiller op de barricaden

Le Carré, ooit Brits diplomaat in Bonn, is een kenner van de Duitse literatuur. Lessing, Schiller, Fontane en Hebbel hebben voor hem maar weinig geheimen. Als hij moe is van Keats en Shelley, neemt hij graag Novalis en Hölderlin ter hand. Als hij woedend is grijpt hij naar Büchners 'Lenz' en in zijn donkerste uren leest hij Heinrich von Kleist. Voor hij in bed het licht uitdoet, heeft hij een passage van Kurt Tucholsky doorgenomen.

Maar gisteren, tijdens zijn voordracht in Weimar, bekende de schrijver die met 'Call for the dead' in 1960 debuteerde, dat hij al 65 jaar het tweede deel van Goethes 'Faust' probeert te begrijpen, tevergeefs, en ook jammer, want in 'Faust II' heeft Goethe de collaps van het muntsysteem precies voorspeld. Le Carré: 'Die arme gepensioneerden Philemon en Baucis, slachtoffers van de ondergang van de Lehman Brothers.'

Van zijn vrouw kreeg Le Carré ooit een scheerborstel cadeau waarop een citaat van Goethe gegraveerd stond: 'Tätig freu zu schöpfen'.

In 1949, toen Le Carré (eigenlijk David John Moore Cornwell) achttien jaar was, ontmoette hij Thomas Mann in Bern. De Duitse schrijver, uit Amerikaanse ballingschap teruggekeerd, was op weg naar Frankfurt om er de Goetheprijs in ontvangst te nemen. In 1949 vierde de stad de 200ste verjaardag van Goethe, die in Frankfurt geboren was. Vandaar zou ereburger Thomas Mann verder reizen naar de plaats waar Le Carré gisteren zijn speech hield: naar Weimar.

Nadat Thomas Mann zijn speech in Bern beëindigd had, spoedde de jonge Le Carré zich naar de garderobe en klopte aan. De imponerende schrijver opende zelf de deur en vroeg streng aan de bezoeker wat hij wilde. 'Ik wilde u de hand schudden,' stotterde Le Carré. 'Hier is ze,' repliceerde Thomas Mann, en sloot de deur.

Le Carré beklemtoonde in zijn speech dat na 1945 op de dienst Buitenlandse Zaken in Bonn heel wat ex-nazi's zaten die weer carrière maakten. Die feiten herinneren hem aan het slechte Duitsland. De betere republiek is die van de Duitse letteren met haar weerbarstige genieën die géén meelopers waren. 'They were people of fire,' aldus Le Carré, die uithaalde naar de hebzucht van de banken, de corruptie van politici en politie, de onverschilligheid van de financiële sector die naar onze subsidies graait en 'de lijdende patiënt in het ziekenhuis ijskoud de rug toekeert', de Europese bureaucratie die door niets wordt gelegitimeerd: 'Hoe zou Schiller aankijken tegen het verlies aan democratische rechten die we aan onze niet-verkozen meesters in Brussel en de multinationale concerns, die nergens thuis zijn, te danken hebben?'

Het speet Le Carré dat hij zijn speech niet optimistischer kon beëindigen. Daarvoor verkeert de bv 'Broken Britain' te veel in agonie. Hoe de toestand van de menselijke moraal eruitziet? Daarvoor doet Le Carré een beroep op Kurt Tucholsky, die deze vraag in het Engels beantwoordde: 'We ought to. But we don't.' Europa heeft het 'nieuwe Duitsland' meer dan ooit nodig, aldus de spreker: 'Vandaag, samengekomen in uw wonderlijke culturele hoofdstad, kunnen we dat allemaal vieren,' zei Le Carré gisteren tot het talrijk opgekomen publiek.

Piet de Moor

Onze partners