Hoe de sprookjes van Grimm door de geallieerden werden gecensureerd

30/11/12 om 09:22 - Bijgewerkt om 09:22

Op 20 december 1812, 200 jaar geleden, verscheen de eerste editie van de sprookjes van de gebroeders Grimm in Berlijn. De Berlijnse Staatsbibliothek viert de verjaardag met een boeiende tentoonstelling.

Hoe de sprookjes van Grimm door de geallieerden werden gecensureerd

Een van de minder bekende aspecten van de 'Kinder- und Hausmärchen' is de controverse die zich vlak na de Tweede Wereldoorlog in het bezette Duitsland rond de sprookjes afspeelde. Met name in de westerse sectoren van Berlijn deed het onderwerp de gemoederen hoog oplaaien.

De Britse militaire regering in Berlijn stuurde een memorandum naar de scholen waarin erop aangedrongen werd om de sprookjes van Grimm zo veel mogelijk uit het onderwijspakket te weren. In 1947 argumenteerde T. J. Leonard, een majoor van het Britse leger, in een schrijven met de titel 'First steps in cruelty' dat de Duitse jeugd door de sprookjes van Grimm een te grote gewenning aan gruwel en perversiteiten had ondergaan. Daardoor had Duitsland als christelijke natie 'letterlijk honderdduizenden mannen en zelfs vrouwen kunnen voortbrengen die op elk moment klaarstonden om zich als Frankenstein-monsters te gedragen en de rol van beul zonder de minste wroeging over te nemen,' aldus de circulaire. Als alternatief prees Leonard de Britse en Amerikaanse schoolboeken met hun fris en sterk ontwikkeld realiteitskarakter aan.

De westerse geallieerden reageerden prompt, vooral in Berlijn. De Amerikanen zuiverden er alle sprookjesboeken van Grimm uit scholen en bibliotheken en alle edities werden naar Amerika verscheept. In de Britse sectoren van Berlijn werden geen licenties meer gegeven voor het drukken van de sprookjes. In het jeugdtijdschrift 'Horizont' verscheen een artikel van uitgever Günther Birkenfeld die heel serieus beweerde dat de gruweldaden van de Duitsers in Auschwitz en Bergen-Belsen teruggingen op de slechte invloed van de Grimmse sprookjes. Birkenfeld noemde ze een broeinest van nationaalsocialistische ideeën en wenste dat ze niet meer in kinderhanden werden gegeven. De West-Berlijnse krant 'Tagesspiegel' publiceerde een stuk dat ervoor pleitte de sprookjes in het vuur te gooien. De krant 'Nürnberger Nachrichten' schreef zelfs een commentaar in de vorm van een sprookje: 'Grootmoeder las verder uit het sprookjesboek van Grimm. En als de kleine blonde jongens niet gestorven zijn, dan zullen ze nu nog wel leven en dan zullen ze wel grote mannen geworden zijn die voor niets terugdeinzen en die het tot iets gebracht hebben, misschien wel - wie weet - tot Obersturmbannführer in het kamp Belsen.'

Het duurde tot 1948 voor er een tegenreactie kwam in het westerse kamp. In de Sovjetsector verliep het debat veel rustiger. Ook daar bestond na de Duitse capitulatie aanvankelijk enige onzekerheid in het beoordelen van de sprookjes van Grimm. Maar het debat laaide er nooit zo hoog op als in de westerse sectoren, vooral omdat de sprookjes in het broederland Sovjet-Unie erg populair gebleven waren. Daar werden de gebroeders Grimm ook verdedigd met het argument dat hun vertellingen in het gezin van Karl Marx een hoog aanzien genoten omdat ze van grote waarde werden geacht bij het opvoeden van de kinderen. Karl Marx vond dat de sprookjes van Grimm de kinderen aanzetten tot zelfstandig denken. Bovendien werden de sprookjes, wier helden direct uit het eenvoudige volk kwamen, tot de niet-elitaire, collectieve kunstrichtingen gerekend, wat in het nieuwe socialistische land als een positieve bijdrage aan de opbouw van de arbeiders- en boerenstaat werd ervaren.

Maar in de DDR werden de sprookjes wel gezuiverd: religieuze allusies werden geschrapt, gruwelijkheden (zoals het uithakken van ogen in 'Aschenputtel') afgezwakt, aanstootgevende zegswijzen werden vervangen en teksten met uitgesproken racistische inhoud ('Der Jude im Dorn', 'Frau Trude' en 'Von dem Machandelboom') werden niet opgenomen.

In de tentoonstelling worden vele drukken Grimmse sprookjes uit de loop van twee eeuwen geëtaleerd. Er wordt herinnerd aan de vele referenties van de gebroeders Grimm in Berlijn: de namen van straten en parken die naar de sprookjes zijn genoemd, de vele sculpturen en beeldengroepen waarin hun werk wordt gethematiseerd (Friedrichshain) en natuurlijk ook het prachtige St-Matthäuskerkhof in Schöneberg (S-Bahn-station Yorckstrasse) waar de broers hun laatste rust genieten op een heuvelende begraafplaats annex café Finovo. Daar kun je in de zomer van een kruik bier en in de winter van soep en een warme maaltijd genieten.

Piet de Moor

'Rotkäppchen kommt aus Berlin', tot 3 januari in de Staatsbibliothek, Potsdamer Strasse 33, 10785 Berlin. De cataloog kost 18 euro.

Lees meer over:

Onze partners