Gie Bogaert: 'Net in deze onzekere tijden wordt verhalen vertellen belangrijker dan ooit'

25/03/16 om 11:18 - Bijgewerkt om 11:18

Nee, Gie Bogaert is al lang niet meer de vertolker van de stille generatie. In 'Roosevelt', zijn tiende roman ondertussen, wil hij vooral de stemmen van kleine mensen laten horen die in al hun wanhoop en machteloosheid blijven vechten.

Gie Bogaert: 'Net in deze onzekere tijden wordt verhalen vertellen belangrijker dan ooit'

Zoals een van zijn hoofdpersonages in 'Roosevelt' ging Gie Bogaert ook de Antwerpse Rooseveltplaats in het echte leven "bekrijten". © YouTube

De 58-jarige Vlaamse romanauteur Gie Bogaert is één van de laatste leraar-schrijvers die na de priester-dichter uit de 19de en begin 20ste-eeuw - remember Guido Gezelle - de Vlaamse literatuur een smoel gaven. Vandaag is dat eerder de journalist-auteur, maar dat is een ander verhaal.

Unieke uitgepuurde toon

Gie Bogaert: 'Net in deze onzekere tijden wordt verhalen vertellen belangrijker dan ooit'

© GF

Al 36 jaar geeft Gie Bogaert voltijds Nederlands en Engels aan het Sint-Gabriëlcollege te Boechout waar hij vooral Nederlands aan de laatstejaars onderwijst. En ja, hij is volgend jaar ook 30 jaar - na 'Klein Berlijns drama' (1987) - schrijver van beklijvende romans waarin de verlangens maar toch vooral de onmogelijkheid van die verlangens - zeg maar gerust: de stille wanhoop - van mensen wordt bezworen in een minimalistisch, uitgepuurd Nederlands dat uniek is in de Vlaamse letteren.

Met 'Roosevelt' (De Bezige Bij), zo genoemd naar de Antwerpse Rooseveltplaats waar tien personages van heel divers pluimage - van iemand die zijn jeugdliefde beleeft of tramchauffeur is tot een Pools hoertje en een Iraanse kelner - van 's morgens vroeg tot 's avonds laat rondstruinen, is Bogaert aan zijn tiende roman toe. Op het einde blijken de gebeurtenissen de prelude voor iets extreems, uitzinnigs dat in deze tijden echter niet meer zo onvertrouwd overkomt.

Gie Bogaert: Ik beschrijf hoe een jongen op de Rooseveltplaats 's morgens begint met krijt een tekst aan te brengen, zoals dat nu ook gebeurt op het Brusselse Beursplein bijvoorbeeld. Ik vond daarvoor de inspiratie bij een van mijn scholieren die alle pleinen van Antwerpen met krijt wou beschrijven. Ook de dodelijke raid van Hans Van Themsche speelde in mijn hoofd bij het schrijven van deze roman maar de liefde voor de Rooselveltplaats die trouwens zelf als personage aan het woord komt in mijn boek, gaf de echte impuls om aan dit verhaal te beginnen.

Wat is er zo bijzonder aan een plein waar vooral bussen vertrekken en aankomen, en waar ook een bekend atheneum aanpaalt waar ooit Willem Elsschot en Paul Van Ostaijen nog school hebben gelopen maar dat nu tamelijk lelijk oogt?

Bogaert: Ik ben er mijn hele leven op- en afgestapt. Eigenlijk is dat plein de constante in mijn leven. Als kind mocht ik samen met mijn mama vanuit Boom één keer per jaar met de bus naar Antwerpen en daar op dat plein begon voor mij de grote stad. Die fascinatie had ik later ook toen ik er afstapte om naar mijn lessen Germaanse aan de Antwerpse universiteit te gaan en een derde keer toen ik op Linkeroever woonde en er zo haast dagelijks de grootstad binnenkwam. En ja, het is waar: de Rooseveltplaats is zeker niet mooi maar wel ongemeen boeiend als je denkt aan de duizenden mensen die er dagelijks passeren en dan vooral aan de verhalen die deze mensen allemaal meedragen.

Je laat er vijf mannen en vijf vrouwen op verhaal komen: mooi verdeeld naar geslacht.

Bogaert: Niet alleen naar geslacht: ik wou echt een staalkaart van zo divers mogelijke mensen naar afkomst en opleiding: van een wc-madam tot een dokteres, van een literatuurdocent tot een trambestuurder. Ik mikte op een zo breed mogelijk panorama van allerlei soorten mensen.

"Iedereen vecht tegen de wanhoop, maar finaal wint die altijd", citeer je de Amerikaanse schrijver Jeffrey Eugenides. Dat vat aardig samen hoe je personages - en ook misschien jijzelf - in het leven staan?

Bogaert: Mijn verhalen - maar sowiesow heel wat verhalen - illustreren dat toch? Alle mensen dragen geheimen met zich mee en een zekere tragiek. Mijn personages zijn weliswaar geen helden maar toch heel bijzonder omdat ze met hun wanhoop en hun verloren dromen proberen te leven. Het zijn menselijke mensen. Het is voor hen een troost als die verhalen ook effectief verteld worden.

De vrije markt versmoort het vrije woord, stelde je vroeger ooit. Literatuur wordt in deze hectische, multimediale tijden meer en meer naar de marge verwezen?

Bogaert: Daar denk ik nu toch heel anders over. Literatuur wordt in deze onzekere tijden belangrijker dan ooit. De vastberadenheid om niet toe te gevan aan de wanorde van vandaag inspireerde me om deze kleine mensen aan het woord te laten en hun stem te laten horen. Er bestaat een immense boehoefte om die verhalen te laten weerklinken en troost te geven. Het komt er op aan om te blijven vechten in verschillende stemmen. En dat is wat ik met 'Roosevelt ' probeer te doen.

Je schrijft frivoler dan vroeger. Je suggereert met Bernlef - "Liegen. Wat een ontdekking" - dat schrijvers toch eerst en vooral leugenaars zijn.

Bogaert: Ik hou ervan om als schrijver de werkelijkheid naar mijn hand te kunnen zetten, zoals mijn personages dat hier doen. In zekere zin is mijn verzinnen inderdaad een vorm van liegen want zelfs al die wanhoop het in hun persoonlijke leven haalt, dan is dat toch niet écht overtuigend. Ik bewonder hun machteloosheid én hun vechtlust om die machteloosheid al vertellend toch het hoofd te bieden.

Je eigen zoon Hans komt in september ook bij De Bezige Bij met een debuutroman 'Echo'. Valt de appel niet ver van de boom?

Bogaert: We houden afstand van elkaar, zoveel is zeker. Maar ik heb natuurlijk zijn tekst gelezen en vice versa: hij was de eerste lezer van 'Roosevelt'. We willen elkaar met onze commentaar echter niet in de weg staan. Toch merk ik bij mijn zoon inderdaad een zelfde soort bedachtzaamheid als in mijn eigen werk. Ja, hij gaat even minutieus te werk als ikzelf.

Onze partners