Benno Barnard
Benno Barnard
Lees hier de columns van de Nederlandse dichter en essayist Benno Barnard.
Opinie

10/06/10 om 10:47 - Bijgewerkt om 10:47

Gerrit Komrij's seksueel racisme

Terwijl Benno Barnard Walt Whitman vertaalt, gispt hij Komrij's kleinburgerlijk pleidooi voor homoseksuele apartheid.

Reconciliation

Word over all, beautiful as the sky,

Beautiful that war and all its deeds of carnage must in time be utterly

lost,

That the hands of the sisters Death and Night incessantly softly wash

again, and ever again, this soil'd world;

For my enemy is dead, a man divine as myself is dead,

I look where he lies white-faced and still in the coffin - I draw near,

Bend down and touch lightly with my lips the white face in the

coffin.

Walt Whitman

Uit: 'Leaves of Grass' (Doubleday & Company, New York, 1926)

________________________________________________________________

Verzoening Woord boven alles, zo mooi als de lucht, Zo mooi dat oorlog en zijn slachtingen volkomen verloren gaan in de tijd, Dat de handen van de zusters Dood en Nacht gestaag en zacht, steeds weer, deze bezoedelde wereld wassen; Want mijn vijand is dood, een man zo godgelijk als ik is dood, Ik kijk naar zijn witte gezicht, roerloos in de kist - ik treed naderbij, Buig mij en raak met mijn lippen licht het witte gezicht in de kist aan.

Vertaling B.B.

Walt Whitman (1819-1892) geldt als de dichter die de wording van Amerika bezingt. Dat is eigenaardig, want hij was homoseksueel en maakte van die geaardheid in zekere zin een ideologie, hoewel hij zijn natuur tegelijkertijd probeerde te camoufleren, bijvoorbeeld door het geslacht van de geliefde in sommige gedichten te veranderen.

Tijdens de Amerikaanse Burgeroorlog was hij ziekenbroeder, en hij beleefde aan het front naar het schijnt een 'intense kameraadschap', die vaak seksueel werd. (Dat front bevond zich in Virginia, een naam uit de koloniale tijd, die verwijst naar de 'maagdelijke' of althans ongehuwde koningin Elizabeth I.)

Whitmans oorlogservaringen voedden zijn ideeën over de convergentie van homoseksualiteit en democratie. De lezer zal begrijpen dat Amerika daar honderdvijftig jaar geleden nog niet helemaal klaar voor was. Zijn opvattingen bereikten een zekere extremiteit: de homoseksuele liefde zou de sleutel zijn tot de ware democratische gemeenschap, de ware artisticiteit, en meer van die onzin.

Het was allemaal gebaseerd op een wazige romantische voorstelling van het antieke Griekenland, waar een fantastische homocultuur zou hebben gebloeid. Onder historici bestaat daarover de nodige onenigheid, maar ook vandaag zijn er homo's die menen dat hun Griekse oriëntatie kenmerkend is voor artistiek en intellectueel superieure wezens. De icoon van deze orthodoxie is niet Walt Whitman, maar Oscar Wilde.

Mij dunkt dat de totalitaire kunstnicht een seksuele racist is, fundamenteel verwant met de heteroseksuele macho. Ik ben een groot voorstander van het homohuwelijk. De echtverbintenis van Tom Lanoye en René Los, die inmiddels het zilver nadert, symboliseerde in de jaren negentig de emancipatie, zoals het huwelijk van Gerard Reve en de dichteres Hanny Michaelis in de jaren vijftig de hypocrisie uitdrukte.

Maar onlangs weerklonk op de Vlaamse radio de stem van een bekend schrijver, krakend als oud parket, die verkondigde dat de homo zich door te huwen aan de 'terreur van de burgerlijkheid' onderwierp.

Iemand die 'burgerlijk' als scheldwoord gebruikt, die moet wel van de generatie van 1968 zijn. De iemand heette Gerrit Komrij.

Wat bedoelde deze schrijfkunstenaar precies met de 'terreur van de burgerlijkheid'? Hij resideert op een landgoed in Portugal, dus blijkbaar gold vermogen niet als criterium van burgerlijkheid. Zijn relatie met zijn vriend Charles moet langzamerhand tot diamant verhard zijn, zoals dat met koolstof na verloop van tijd ook geschiedt, dus zijn afkeer betrof ook niet de vaste verkering. Nee, Gerrit doelde op homo's die trouwden en in sommige gevallen ook nog eens kinderen adopteerden, en aldus de heteroseksuele wereld naspeelden. Zo te horen verfoeide hij het traditionele gezinsleven in het algemeen. Dat is voor een kunstzinnig mens natuurlijk ook een verachtelijke bestaansvorm.

'Daarvoor ben ik niet homoseksueel geworden,' zei Komrij. Homoseksualiteit was namelijk iets begerenswaardigs, iets wat smaakvol afweek van de geborneerde driften van het klootjesvolk. De lezer zal dus kunnen billijken dat Komrij voor homoseksuele apartheid pleitte.

Dit is het geschikte moment voor een apologie van de burgerlijkheid.

Ik ben een groot voorstander van het burgerdom, een sprankelend Bildungsbürgertum meer bepaald, dat tot het beste behoort wat Europa sinds de Verlichting heeft voortgebracht: een burgerdom dat niet verstikt raakt in haar eigen morele conventies en in staat is tot zelfcorrectie. Daarmee vergeleken vond ik de door Komrij zo zelfgenoegzaam vertolkte opvatting van een uitgesproken kleinburgerlijkheid.

Een dikke middelbare nicht van mijn vrouw leeft samen met een lesbische schommelstoel van dezelfde leeftijd. Die twee blanke vrouwen hebben samen drie zwarte, onadopteerbare kinderen geadopteerd, en dat in het land van Walt Whitman. Alle liefde is vermengd met eigenliefde, het is me bekend. Er schuilt vast ook wel enige berekening in hun goedheid, om nog maar eens een woord uit de vitrine met Christelijke Termen te gebruiken. Maar van Gerrit Komrij moet ik het gezin van deze vrouwen dus als het resultaat van burgerlijke terreur beschouwen.

Onze partners