Eric Amblers topthriller opnieuw vertaald

05/08/15 om 09:46 - Bijgewerkt om 09:52

Heel wat bekende thrillerauteurs, zoals John Le Carré, leerden hun metier bij Eric Ambler, peetvader van het genre. Lukas De Vos legt met verve uit hoe 'Het Masker van Dimitrios' van Ambler dé thriller bij uitstek is die elke liefhebber van het genre zou moeten hebben gelezen.

Eric Amblers topthriller opnieuw vertaald

Eric Ambler (1909-1998). © buzzquotes.com

De thriller heeft vele vaders, al is hij jonger dan het detectiveverhaal. Maar de echte peetvader van het moderne genre, dat balanceert op de richel tussen misdaad en spionage, is en blijft de Britse auteur Eric Clifford Ambler (1909-1998). Niet zijn eerste, maar wel zijn kernroman die de omtrekken uittekende van het thrillergenre, is Het Masker van Dimitrios (de Amerikaanse versie heette De kist van Dimitrios) uit 1939 dat nu opnieuw in vertaling wordt uitgebracht.

Music hall en poppentheater

Ambler, die stamde uit een music hall-familie en het poppentheater, realiseerde zich al snel dat noch zijn ingenieursdromen, noch zijn reclametekstontwerpen hem de armslag gaven om zijn schrijftalent te ontwikkelen zoals het hoorde. Begin jaren dertig schreef hij enkele kortverhalen, met in de hoofdrol Jan Czissar, een voormalige politieman uit Tsjechië die als balling in Konden leefde. De aanzet was gegeven. Ontheemde figuren, met scherpzinnige speurtechnieken, die meegesleurd worden in internationale misdaadoperaties, en daar evengoed het slachtoffer als de vrijschutter in zijn.

Ambles eerste roman had nochtans een veel somberder, waarschuwender toonaard. The Dark Frontier, in 1936 geschreven in de krankzinnige wapenwedloop, loopt al vooruit op de ontwikkeling en rampzalige gevolgen van de atoombom (zonder ze bij die naam te noemen, want niemand kon op dat ogenblik voorspellen welk geheim wapen Amerikanen en Duitsers apart ontwikkelden, en hoe vernietigend het zou uitpakken). Maar de jaren daarop had Ambler onmiddellijk zijn draai gevonden, vooral met Epitaph for a Spy (1938). Van dan af tot zijn laatste roman uit 1981, The Care of Time, staat de doorbijtende eenzaat in een onoverzichtelijk machtsspel centraal. The Care of Time is een cynisch verhaal over internationaal terrorisme, losjes gebaseerd op de onuitgegeven memoires van de Russische nihilist Sergej Netsjajev (1847-1882) die eerder de koude, rationele, niets ontziende Katechismus van een Revolutionair had geschreven, hét manifest voor het gewelddadig anarchisme. Ambler zelf erkende toen: "De mannen en vrouwen die mij bij het schrijven het meest interesseren, zijn altijd de hardnekkige types geweest, de overlevers".

Internationale war games

Bijna met monomanie gaan zij achter de ontrafeling van komplotten en raadsels aan, alleen getrouw aan zichzelf en hun morele overtuiging, maar zonder gewetensnood over het slagveld dat ze rond zich verspreiden, en waarin ze zelf maar een betrekkelijke rol spelen. Ook zij zijn de handpoppen van internationale war games, waarbij niet de staten het voortouw nemen of het lot van de mens bepalen, maar de bedrijvenconcerns en de banken. Het verklaart de hernieuwde interesse voor Ambler, die van Hitchcock ooit het mooiste compliment kreeg: "Meneer Ambler is een fenomeen". Hij was meer dan dat: hij werd de goeroe van een hele reeks hoogstaande thrillerschrijvers, niet het minst van Graham Greene, die nogal openlijk leentjebuur speelde bij The Mask of Dimitrios om zijn al even bejubelde The Third Man te stofferen. Niet voor niets zijn beide romans snel verfilmd geraakt. Al in 1944 werd Amblers verhaal omgeturnd tot een film noir (met onder meer Peter Lorre), en het jaar daarop tot een radioluisterspel; in 1949 was het de beurt aan Greenes verhaal uit hetzelfde jaar, dat eigenlijk bedoeld was als filmscenario, niet als roman.

Eric Amblers topthriller opnieuw vertaald

© GF

Maskers vallen af

Verfilmingen hebben ook een nadeel. De hoofdfiguur in Het Masker van Dimitrios, Charles Latimer, een voormalig docent politieke ekonomie die voltijds detectiveschrijver is geworden, heet in de film Cornelius Leyden, hij is een Hollander en geen Brit meer. Dat zet natuurlijk aan tot enig chauvinisme bij onze uitgevers, maar je verliest er uiteraard het flegma, en de bijna naïeve koppigheid mee die Latimer uitstraalt. Dat Ambler liever op de troebelen van de jaren twintig en dertig terugkijkt lijkt logisch, omdat hij net in 1939 zijn rabiate Russofilie afzweert. Hij, de radicale antifascist, ziet zijn utopische dromen in gruizelementen vallen als Molotov en Von Ribbentrop het onzalige pact afsluiten dat Europa in twee bezettingshelften zal verdelen tot de Val van de Muur in 1989. De maskers vallen af, dictators zijn elkaar waard, al belijden ze een andere ideologie. Stalin wordt de grondlegger van de Koude Oorlogsliteratuur, en Ambler is daar de profeet van. John Le Carré treedt al snel in zijn voetsporen. Maar de setting is meteen de vaste waarde: het Europa van tragiek en verraad, van wantrouwen en ontheemding, van ballingschap en bespieding, van rauw kapitalisme en even rauw machtsmisbruik.

John Le Carré

John Le Carré © Belga (via EPA)

Ambler weeft oplichting, drugssmokkel, militaire afdreiging, de arrogantie van de high society, politieke komplotten, en de kleine kantjes van de mens vakkundig in elkaar als een smyrnatapijt. De tragedie van Smyrna geldt ook als historisch canvas waartegen de ontsporingen van de mens vale kleur en dieptezicht krijgen. Het is daar dat de enigmatische Dimitrios Makropoulos, die zich in het Turks ook Talat laat noemen, zijn overlevingsinstinkt ten volle leert ontwikkelen. Hij dient daartoe zich van verschillende valse sporen en maskers van identiteiten te bedienen. Dat gaat ten koste van elk moreel besef. Gewetenloosheid schept rijkdom, Dimitrios - een verre nazaat van Conan Doyle's professor Moriarty, maar zonder diens kwade genius, eerder met een illusieloosheid, met het nihilisme dat de onmenselijkheid van de oorlog hem heeft bijgebracht - neemt alles aan wat niet te heet of te zwaar is. Hij bedriegt evengoed politieke vrienden als zijn handlangers voor de macht van het geld. Dat is het gevolg van een allesverzengend overlevingsinstinct.

Smyrna wordt Izmir

Wraak is hem vreemd, zijn hele duistere en dubbelzinnige leven is het antwoord op de slachtpartij die het Turkse leger in 1922, na overwinningen op de Griekse troepen in Ionië, aanrichtte in de vluchtelingenstad Smyrna, waarbij 70 % van de stad afgebrand werd en de naam prompt veranderd werd in Izmir. Liefst 120.000 Grieken en vermeende kristenen werden door de Jonge Turken omgebracht in deze "Pontische volkenmoord", een lauwe remake van de Armeense genocide onder het Ottomaans bewind in 1915. De Grieken waren geen haar beter en namen wraak op de moslims toen ze hun militaire operatie in West-Turkije kompleet zagen falen. Zonder cynisme, maar ook zonder gelatenheid vermeldt hij als terloops de impakt van het Verdrag van Lausanne in 1923. Anderhalf miljoen Grieken werden gedeporteerd naar het "thuisland", omgekeerd werden 500.000 moslims verjaagd naar Turkije. Het Verdrag voorzag bescherming van de minderheden - redelijk overbodig, want het kwaad was al gecshied en de etnische zuivering zo goed als afgerond. Ambler suggereert terecht dat niet het politiek systeem, maar de mens de wortel is van alle misbruik. En vooral de hebzucht van de mens.

De lotgevallen van deze Dimitrios, wiens lijk in het begin van de roman aanspoelt in de Bosporus, zijn even schimmig als uitdagend. Latimer wordt op het spoor gezet door de meedogenlo maar voorkomende kolonel Haki. Haki zat de krijgsraad voor die de moord op een joodse schlemiel moest oplossen. De zwarte Dhris Mohammed werd snel opgeofferd en opgehangen, maar Haki weet goed dat Dimitrios achter de roofmoord zat. Haki, die wat graag zelf een detektive zou willen schrijven maar het werk met enige zelfkennis wil uitbesteden aan Latimer (de butler heeft het gedaan !), onthult meteen dat Dimitrios verantwoordelijk was voor moordaanslagen in Belgrado en Sofia, voor een komplot tegen Atatürk, en rijk is geworden met drugssmokkel naar Frankrijk.

Eén vloeibaar kluwen

De kaart van Europa wordt in één moeite een vloeibaar kluwen, net als in het Interbellum. Allianties verschuiven, minderheden komplotteren, bondgenootschappen voeren een bedrieglijke politiek (Roemenië, Servië, Hongarije, Bulgarije; toen al !) - in die chaos gedijen mensen achter de schermen. "Dimitrios zou zelf heus geen vuile handen maken (...). Mannen als hij zetten hun leven niet op het spel. Zij blijven buiten schot. Zij zijn de professionals, de entrepreneurs, de schakel tussen de zakenlieden, de politici die het doel nastreven maar de middelen schuwen, en de fanatici, idealisten die bereid zijn te sterven voor hun overtuigingen". Het grondthema van heel Amblers oeuvre. Niet wie de trekker overhaalt, maar wie de kogel betaalt, daar gaat het om.

Latimer is geïntrigeerd. Hij laat zich verleiden om in het verleden te duiken van het lijk dat hij gezien heeft. Tot zijn groeiende ontsteltenis veroorzaakt zijn zoektocht steeds meer mist en steeds meer betrokkenen in het veelgelaagde beeld dat hij van Dimitrios probeert te krijgen. Hij maakt kennis met de godsdienstverslaafde maar skrupuleloze Meneer Peters, met de fidele Griek Marukakis, met de spion Grodek in Genève, met het uitschot van Parijs. Maar voortdurend verandert de gedaante van Dimitrios. Er ontstaat gerede twijfel of Dimitrios wel dood is. Is Dimitrios wel Dimitrios, had hij wel een Nansen-paspoort, het internationaal erkend bewijs voor vluchtelingen dat de Volkenbond vanaf 1922 toekende aan de 800.000 staatslozen uit Rusland (en vanaf 1933 ook aan Armeense, Assyrische en Griekse vluchtelingen uit Turkije) tot 1938? Wie de jaren dertig wil doorgronden, leze Ambler.

Toeval en onvoorzienigheid

De ontknoping draait natuurlijk uit op een confrontatie tussen de slechten onderling. Latimer blijft voor alles een bystander, die de grote konflikten ondergaat, en geen benul heeft van de uitlokking die zijn eigen stugge koppigheid genereert. Een beetje zoals de moordaanslag van Gavrilov Prinzip op de kroonprins van het Oostenrijks-Hongaarse Rijk een kleine oorzaak was met grote gevolgen voor de Groote Oorlog. Een bewuste keuze van Ambler: "Het feit dat een man als Latimer zelfs maar hoorde van het bestaan van iemand als Dimitrios was op zichzelf idioot". Toeval en voorzienigheid zijn onbestemde lotsgenoten. In die grijze zone fungeert Ambler zelf als alwetende auteur, die maar op enkele plaatsen (zoals bij de opening) duiding geeft, juist om de rol van Latimer als onbewuste katalysator aan te reiken.

Hij gebruikt het hele arsenaal van standpuntwisselingen (vanuit het standpunt van Peters wordt bv. de chantage op Dimitrios beschreven, maar zonder overgang verschuiven tijd en kijk: "Als Latimer nu aan Dimitrios denkt is het juist die scene die hij zich herinnert: de groezelige kamer met het afstotelijk behang, ..."), van vormgeving (brieven, dialogen, al dan niet rechtstreekse citaten onder meer uit Het Communistisch Manifest), van stijlfiguren met voorop het laconieke understatement, en vooral de lange, sinds Poe en Conan Coyle klassieke reconstructie die de feiten in een samenhangend verband moet uitleggen voor de lezer. En juist doordat hij als schrijver medespeler wordt in het verhaal - de schrijver Ambler vereenzelvigt zich met de schrijver Latimer - , legt hij meteen enkele basisregels van het thrillergenre vast, zodat Het Masker van Dimitrios met vrucht gelezen kan worden als een handleiding voor de thrillerschrijver.

Historisch geschoold

Meegenomen is natuurlijk ook dat Ambler op heel natuurlijke, allesbehalve belerende wijze laat blijken dat hij én geschiedkundig én literair wel degelijk geschoold is. Hij kent Ouida (Maria Louise Ramé, bij ons vrijwel alleen gekend om haar A Dog of Flanders, maar wier luxueuze levensstijl bijna paradoxaal gepaard ging met haar voorliefde voor en verdediging van de onderdrukten, even goed de pieds noirs in Algerije als de Arabieren in het Midden-Oosten); de nazihater Trygve Gulbranssen (En Eeuwig Zingen de Bossen, het eerste deel van de trilogie Het Geslacht Bjørndal die eind jaren dertig uitgroeide tot een wereldsukses); de Ouled Naïl (een sterk gearabiseerde Berberstam die zich beroept op een afstamming van Henoch, maar die Ambler allicht aantrof in het werk van de aardrijkskundige Elisée Reclus, een anarchist die deelnam aan de Commune van 1870-1 en voor eeuwig uit Frankrijk verbannen werd; hij stierf trouwens in Torhout); de Ijzeren Garde van Roemenië van de rechtspopulist Corneliu Codreanu, een terreurmilitie die in 1927 ontstaan was uit het anti-joodse en anti-monarchistische Legioen van de Aartsengel Michaël, en in 1931 werd aangevuld met de "Echipa Mortti", doodseskaders die twee premiers uit de weg zou ruimen; Amblers afschuw van uiterst rechts was nog aangewakkerd door de deelname van de militie aan de verkiezingen van 1937, waarbij ze 16 % van de stemmen haalde. Ambler liep zelfs al vooruit op Ian Flemings Casino Royal (1953), want ook Peters beroept zich op de Grote Roerganger om moord aanvaardbaar te maken. "Het was te vergelijken met een vergunning om te doden".

Ambler liep vooruit op Ian Fleming en diens James Bond.

Ambler liep vooruit op Ian Fleming en diens James Bond.

Hoe onwaarschijnlijk de hele kruistocht van Latimer ook is, nergens heb je het gevoel dat het onaannemelijk is. Hij volgt ook de route van de Orient Express tussen Istamboel en Parijs (trein die hij op de terugweg effektief zal nemen). Maar niet iedereen is overtuigd van het geloofwaardige kakater van Latimer. In een gedenkwaardig en doorwrocht artikel in The Guardian (6 juni 2009) werpt Thomas Jones de auteur, niet zo vergezocht, voor de voeten: "The discovery that Latimer makes in Paris halfway through The Mask of Dimitrios is about as surprising as the guilt of the butler in Colonel Haki's idea for a novel. And, for me at any rate, Latimer is the least engaging of Ambler's prewar protagonists: it's hard to have patience with a man who so wilfully gets himself into trouble. Kenton's and Vadassy's (de helden uit resp. Uncommon Danger en Epitaph for a Spy, LdV) difficulties are a nice combination of bad judgment and bad luck; Latimer's a bit too much of a fool". Toch doet die kritiek oneer aan het soort globetrotter dat zeker in de jaren dertig de meest irrationele beslissingen durfde te nemen, of gewoon zich begaf in hogere kringen en daartoe lukraak heen en weer reisde naar mogelijke mecenassen of goed onderlegde informanten. De Sven Hedins of Wilfred Thesigers of Attilio Gatti's van die tijd waren geen ongewone avonturiers.

Slordigheden in de vertaling

Dan heb ik meer bezwaren tegen sommige slordigheden in de vertaling. Ik geef er maar twee mee. "Volgens Latimers overspannen verbeelding leek het alsof zijn glimlach, als die van de Kollumer Kat, zwevend in de lucht achterbleef". Dat soort interpretaties achteraf is misschien wel vleiend voor de paar duizend inwoners van het Friese stadje Kollum, maar geen enkele niet-Kollumer weet dat die kat uit de vertaling komt die Nicolaas Matsier in 1994 maakte van Lewis Carrolls Alice in Wonderland. Daarin heet ze de Cheshire Cat. Goeie poging, daar niet van.

Dwazer is een dialoog tussen kolonel Haki en Latimer over detectiveromans. Al op de tweede bladzijde vermeldt Latimer dat hij, na een ekonomische analyse van Rosenbergs Mythos des 20. Jahrhunderts, zijn eerste speurdersroman schreef. "Een Bloedige Spade was onmiddellijk een sukses". Amper vier bladzijden verder vertelt Haki dat hij liefst Franse vertalingen leest. "Ik heb zojuist Une Pelle Ensanglantée aan mijn bibliotheek toegevoegd. Grandioos! Maar de betekenis van de titel is me niet helemaal duidelijk". De lezer evenmin. Want "Latimer probeerde geduldig in het Frans uit te leggen dat de titel in het Engels een dubbele betekenis had die de oplettende lezers essentiële informatie had verschaft over de identiteit van de dader". Maar dan had de vertaler natuurlijk de oorspronkelijke titel moeten laten staan, A Bloody Spade. "Spade" betekent niet alleen "schop", maar is ook bargoens voor een Amerikaanse zwarte, het denigrerende scheldwoord voor "nikker".

Vertalen blijft een kunst. Maar je gaat er Rob van Moppes niet voor naar Nieuw Nickerie sturen.

Eric Ambler, Het Masker van Dimitrios. Amsterdam, Luitingh-Sijthoff 2015, 287 blz., 19,99 euro (verschijnt op 2 september)

Lukas De Vos

Onze partners