Een kruik wijn voor een mensenleven

13/01/11 om 13:13 - Bijgewerkt om 13:13

Gesprek met historicus Fik Meijer over zijn 'persoonlijke geschiedenis' van De Middellandse Zee.

Een kruik wijn voor een mensenleven

Fik Meijer is de laatste tien jaar de grote popularisator van de Grieks-Romeinse oudheid in het Nederlandtalige taalgebied geworden. Bijna jaarlijks spitte hij een antiek thema uit dat tot de verbeelding spreekt. Dat ging van wagenrennen, gladiatoren, de manier waarop migranten werden behandeld tot en met zijn eigen verhaal over de plas waar het allemaal rond gebeurde: 'De Middellandse Zee', zoals zijn nieuwste werk heet.

Fik Meijer: Ik deed als tiener aan waterpolo. Toen ik klassieke talen ging studeren, werd ik lid van een duikclub in Leiden waar ik op universiteit zat. Ik vond het eerste jaar niets aan mijn studie klassieke talen. Maar dat veranderde dus spectaculair toen ik ging duiken in de buurt van Ibiza en daar die antieke amforen op de zeebodem zag liggen. Dit is het! Voortaan werd mijn leven beheerst door wrakken en ankers. Zo ben ik me gaan interesseren voor klassieke onderwaterarcheologie en heb ik me er ook in gespecialiseerd.

U vertelt hoe u zelfs geld verdiende aan het verkopen van de amforen die u had opgedoken? Meijer: Ik trok toen op met de baritonzanger Bernard Kruysen die schitterend liederen van Gabriël Fauré, Claude Debussy, François Poulenc en Franz Schubert kon vertolken. Bernard was een tiental jaren ouder dan ik. Ik adoreerde hem als 21-jarige, mag ik wel zeggen. We doken samen en we hadden altijd geldgebrek. Het plaatselijke museum toonde geen belangstelling voor opgedoken amforen maar een antiquair wel. We hebben op die manier zeven tot acht amforen aan de man gebracht. We vingen toen ongeveer 500 gulden per amfoor en dat bedrag verdeelden we eerlijk onder elkaar. Tja, daar kon je in het begin van de jaren zestig zeer goed van leven. Een kopje koffie kostte op het terras destijds twee pesata's, wat omgerekend ongeveer twaalf cent was. Kan je nagaan.

Heel wat van die amforen die men heeft teruggevonden in de buurt van Marseille bijvoorbeeld bevatten wijn. De Romeinen hadden blijkbaar goede klanten aan de Galliërs.
Meijer: De Galliërs waren bierdrinkers die echter zo verzot geraakten op de Romeinse wijn dat ze bereid waren om een slaaf te verkopen in ruil voor een kruik wijn. Afhankelijk van het type amfoor ging dat om 30 tot 40 liter. Een mensenleven was dus ruim 30 liter wijn waard. De Gallische drankzucht was legendarisch. De Italiaanse topwijnen waren destijds de Falernische en Caecubische wijn in de buurt van Napels, afkomstig van de flanken van de Vesuvius. Wijn uit Campanië zeg maar. Ik ben zelf geen wijndrinker maar eerder een bierbarbaar.

Gebruikten de Romeinen misschien wijn om hun Gallische tegenstanders te verzwakken, zoals de Amerikanen destijds whisky of vuurwater hebben ingezet tegen de indianen? Meijer: De wijn was eerder een vehikel voor beschaving. Of het ook een oorlogswapen was, is zeer de vraag want de Romeinen waren zelf fervente wijndrinkers. André Tchernia rekent in zijn prachtige boek Le vin et l'Italie romaine uit hoe er in Rome 175 tot 275 liter per persoon per jaar werd geconsumeerd, kinderen inclusief. Het dagelijkse, individuele wijnverbruik bedroeg een halve tot driekwart liter, hetgeen dus neerkomt op een fles.

Het is opvallend hoe na een tijdje de Gallliërs zelf de wijnhandel in handen namen en van importland exportland werden. Meijer: Vanaf Caesar en Augustus krijg je een kentering want dan beginnen de Galliërs zelf wijn te verbouwen in de Provence en zie je inderdaad een omgekeerde handelsbeweging: van onze streken wordt er wijn geëxporteerd naar Italië. Die ommezwaai in de handelsbetrekkingen had niet alleen te maken met een grotere vraag naar wijn in Italië zelf omdat Rome demografisch groeide maar eveneens met een crisis in de landbouw. Toen Pompeius omstreeks 60 voor Christus de zeepiraterij bedwong, werden er nauwelijks slaven verhandeld. Juist die slaven stonden in voor de Italiaanse wijnbouw. Ook daarom dus waren de Romeinen aangewezen op import van wijn uit Noord-Spanje en Gallië.

Zonder slaven geen Grieks-Romeinse beschaving? Meijer: Klopt. De Grieks-Romeinse oudheid was een Sklavenhaltergesellschaft, zoals de Duitsers dat zo mooi zeggen. Men neemt aan dat in het Italië van de eerste eeuw vC tussen de zes tot negen miljoen mensen woonden. Een derde van hen was slaaf of de nazaat van voormalige slaven.

Immigranten kregen echter wel een kans in de Romeinse samenleving? Meijer: Het waren vooral tienerjongens tussen de vijftien en de twintig die aangetrokken werden door Rome als metropool en die vanuit de uithoeken van het Romeinse Rijk kwamen toegestroomd. Je had een dergelijk aanzuigeffect ook in het Britse Commenwealth waar Londen als magneet fungeerde voor onnoemellijk veel migranten. Vanaf de eerste eeuw nC met de Antonijnse keizers komen er veel Spaanse senatoren en zelfs keizers van Spaanse komaf. Je krijgt vanaf Trajanus op het einde van de eerste eeuw een Spaanse connectie in Italië.

De Grieken daarentegen hadden het niet zo begrepen op buitenlanders? Meijer: De Grieken stelden zich altijd superieur op tegenover andere volkeren en klopten zich op de borst omdat zij Homerus hadden, de Olympische Spelen en het orakel van Delphi. Ze pakten uit met hun geletterde samenleving en de anderen waren brabbelende boeren, letterlijk barbaroi of barbaren. Het woord was een klanknabootsing,zoals je weet, van het gebroebel van die niet-Grieks sprekende buitenlanders. De Grieken bekijken de barbaren altijd met een zekere distantie. In tegenstelling tot de Romeinen. Er zijn natuurlijk Griekse mannen met barbaarse vrouwen naar bed geweest maar in die Griekse samenlevingsopbouw was het aandeel van migranten verwaarloosbaar klein. Zelfs onderling waren de Grieken uitermate verdeeld. Er bestonden een 150-tal stadsstaten en die huldigden allemaal een eigen dorp eerst-ideologie, zeg maar. De gemiddelde polis telde niet meer dan 2000 inwoners en elk had een eigen bestuursvorm: een koning, aristocraten, een tiran of democratie. Athene op zijn hoogtepunt had 200.000 inwoners terwijl Rome bijna 1 miljoen inwoners had. Het was verboden voor een Corinthiër om in Athene grond te bezitten of een huis te kopen. In het theater zat die apart en als hij een rechtszaak wou aanspannen, moest ie beroep doen op een vermogende Athener die voor hem als niet-Athener opkwam. De Grieken die sowieso alle vreemdelingen discrimineerden, discrimineerden dus ook onderling. Dat geldt vandaag trouwens nog steeds. Als er één land is waar het anarchisme hoogtij viert, is het wel Griekenland.

Zelfs Aristoteles stelde zich xenofoob op? Meijer: Aristoteles, leermeester van Alexander de Grote, gaf zijn pupil bij het begin van zijn veroveringstocht een onmiskenbaar adagium mee en zei tot hem: 'Wij, Grieken, zijn geschapen om te heersen terwijl Perzen geschapen zijn om slaaf te wezen.' Er zat iets erg hautains in die Griekse opstelling van wij, Grieken, tegenover zij, de barbaren. Maar Alexander luisterde niet naar zijn filosofische leraar want hij probeerde met zijn hellenistische, globaliserende aanpak toch iets nieuws te stichten op de puinhopen van het vroegere Perzië. Daar begint dus in de Griekse geschiedenis een andere era.

Lang leve Rome dus, wat de aanpak van migranten betreft? Meijer: De Romeinen waren geen heiligen, laat ons wel wezen. Aanvankelijk waren de Romeinen vuige imperialisten. Ze buitten de overwonnen volkeren zonder scrupules uit. Vanaf het midden van de tweede eeuw vC betaalden de Romeinen in Italië geen belastingen meer. Die werden exclusief geïnd, om niet te zeggen afgeperst, in de provincies. Geleidelijk aan gingen de Romeinen echter die antagonistische benadering bijstellen. Vanaf keizer Augustus probeert men het onderscheid tussen wij, Romeinen, en zij, provincialen, te overstijgen. Dus ja, de Romeinen waren veel ruimhartiger in het toekennen van burgerrechtverleningen dan de Atheners bijvoorbeeld die het burgerschap haast nooit toestonden. Wie geen Athener was of niet geboren was uit Atheense ouders, maakte simpelwerg geen kans. Alleen wie een extra prestatie had verleend, die de autochtonen serieus had geholpen, kon eventueel hoop koesteren. Een niet-Athener die bijvoorbeeld in tijden van voedselschaarste voor een scheepslading graan had gezorgd en dat daarenboven goedkoop, dus zonder woekerprijzen te vragen, aan de man bracht, maakte kans. Jaarlijks werden er in Athene hoop en al vijf of zes niet-Atheners met het burgerrecht vereerd. Hoe anders in Rome. Daar was het relatief makkelijk te verkrijgen.

Frank Hellemans

Fik Meijer, De Middellandse Zee. Een persoonlijke geschiedenis, Athenaeum-Polak & Van Gennep, 448 blz., 19,95 euro (paperback ISBN 978-90-253-6809-8), 29,95 euro (gebonden ISBN 978-90-253-6808-1

Onze partners