De geboorte van Europa: Hoe de Benelux-landen de voorloper van de EU werden

29/08/17 om 16:38 - Bijgewerkt om 16:43

Voorpublicatie uit De geboorte van Europa, van historicus Rolf Falter. 'Al de grote illusies van kleine landen lagen in dat najaar van 1940 aan diggelen.'

De geboorte van Europa: Hoe de Benelux-landen de voorloper van de EU werden

Beeld van een Duits bombardement op de Rotterdamse binnenstad. © .

Als er al een voorloper van de Europese Unie genoemd moet worden, meent historicus Rolf Falter,dan zeker de Benelux. 'Dat samenwerkingsverband dat nog tijdens de oorlog door de ministers van de drie landen in ballingschap in Londen werd opgericht, stond model, zowel voor de Amerikanen bij de Marshallhulp in 1947, als in 1957 bij de aanloop naar de Verdragen van Rome.'

Aan het begin van hoofdstuk drie van De Geboorte van Europa, het nieuwe boek van Falter waarover hij deze week geïnterviewd wordt in Knack, staat beschreven wat de diepere achtergrond was van het feit dat de drie landen na 115 jaar naast elkaar leven, plots tot de bevinding kwamen dat samenwerken voortaan onvermijdelijk was. Hier de passage:

Vijf dagen had Adolf Hitlers leger na 10 mei 1940 nodig om het trotse Nederland, ooit een Europese grootmacht, op de knieën te krijgen. De Waterlinie, de aloude techniek om vijanden buiten het polderland te houden door het gewoon onder water te zetten, was nutteloos gebleken tegen de massale inzet van vliegtuigen. Een verwoestend brutaal bombardement, waarbij op 14 mei om 13u30 het centrum van Rotterdam in as werd gelegd en ruim 600 burgers stierven, volstond.

België, een veel minder diepgewortelde staat, die echter in 1914 de Duitse opmars beslissend vertraagd had, hield het ditmaal achttien dagen vol. Met de Duitsers op 17 mei in Walcheren in de Scheldemonding en op 20 mei in Abbeville aan de Somme, en beukend doorheen België, werd het een lange chaotische terugtocht.

Gaandeweg vonden de regeringen van de drie kleine landen elkaar terug in Londen. De Nederlandse koningin Wilhelmina bereikte op 13 mei de hoofdstad van waaruit haar overgrootvader in 1813 de kroon van de voormalige Republiek had gekregen. Haar regering volgde twee dagen later. In september zette Wilhelmina minister-president De Geer af, die teveel twijfelde aan blijvend verzet. Ze verving hem door de 55-jarige Friese jurist en Anti-Revolutionaire minister van Justitie Pieter Sjoerds Gerbrandy.

Het groothertogdom Luxemburg was in een dag overrompeld, en groothertogin Charlotte en de regering waren net op tijd gevlucht naar Frankrijk. Hun vlucht werd een dwaaltocht doorheen Spanje en Portugal toen ook Frankrijk ten onder ging, en zij geen uitweg meer zagen. Drie maand lang liet Berlijn de achtergebleven notabelen, parlementsleden en topambtenaren in het groothertogdom hopen op nog een restantje onafhankelijkheid, waarvoor die dan de groothertogin uitnodigden terug te keren.

Die bleef even lang in dubio, gezien haar regering zelf verdeeld was. De premier, Pierre Dupong, neigde naar terugkeren, de minister van Buitenlandse Zaken en oud-premier, Joseph Bech (die ononderbroken het mandaat bekleedde van 1926 tot 1959), naar doorreizen naar Londen. Toen de nazi's dan eind juli de annexatie van het groothertogdom afkondigden, werd Londen de volgende bestemming.

Charlotte reisde in augustus door naar de Verenigde Staten en finaal naar Montreal waar haar kinderen in het Frans naar school konden. Premier Pierre Dupong vergezelde haar. Tot hun terugkeer in Londen in de lente van 1943 was Bech de voornaamste Luxemburgse gezant in de Britse hoofdstad.

In oktober 1940 volgde wat overbleef van het Belgische kabinet, dat eerst naar Frankrijk was gevlucht, tevergeefs gevraagd had te kunnen terugkeren (zowel aan de achtergebleven koning als aan Hitler), en daarna uiteengevallen was. Na weken ronddolen waren twee leidende figuren, minister van Buitenlandse Zaken Paul-Henri Spaak en eerste minister Hubert Pierlot, clandestien in de laadruimte van een bestelwagen doorheen Franco's Spanje naar Lissabon gereisd, nadat Britse vragen over de kolonie Congo hen duidelijk hadden gemaakt dat er nog werk was. Achter bleef enkel de Belgische koning Leopold, die tevergeefs hoopte met Hitler tot een vergelijk te komen over het behoud van België en dus zijn troon.

Er was in dat najaar, tussen de Duitse bombardementen op Londen door, voldoende tijd en ook stof om over na te denken. Luxemburg had nog in zijn in 1867 opgelegde neutraliteit geleefd, dat het ook toeliet geen leger te moeten bekostigen. België had een gelijkaardig statuut gehad tot 1914, was toen brutaal overvallen, had na 1919 een wankele alliantie met Frankrijk gevormd, maar opteerde in 1936 opnieuw voor neutraliteit, ditmaal een zelf opgelegde. Nederland volgde dezelfde neutrale koers, in de hoop om, zoals in 1914, net buiten de oorlog te blijven.

Al die grote illusies van kleine landen lagen in dat najaar van 1940 aan diggelen. Als om dat te onderstrepen vochten Duitse en Britse gevechtsvliegtuigen, de cruciale wapens die kleine landjes militair zo nietig maakten, een strijd om leven een dood boven hun hoofden uit. Toen het stof daarvan neerdwarrelde, in het voorjaar van 1941, was duidelijk dat de Britten van Winston Churchill toch nog een kans maakten. En dat denken aan een andere toekomst, zonder de fouten en illusies van voorheen, wel degelijk zin had.

Onze partners

Deze website maakt gebruik van cookies om uw gebruikservaring te verbeteren. Door verder te surfen, stemt u in met ons cookie-beleid. Meer info