Benno Barnard
Benno Barnard
Lees hier de columns van de Nederlandse dichter en essayist Benno Barnard.
Opinie

11/10/10 om 10:55 - Bijgewerkt om 10:55

Apollinaire en de ontploffing van de zinsbouw

Benno Barnard over 'de eerste kubistische' oorlog en de dichter Apollinaire: 'Ja, wat een tijdperk!'.

La Porte

La porte de l'hôtel sourit terriblement

Qu'est-ce que cela peut me faire ô ma maman

D'être cet employé pour qui seul rien n'existe

Pi-mus couples allant dans la profonde eau triste

Anges frais débarqués à Marseille hier matin

J'entends mourir et remourir un chant lointain

Humble comme je suis qui ne suis rien qui vaille

Enfant je t'ai donné ce que j'avais travaille

Guillaume Apollinaire

Uit : 'Alcools' (Gallimard, 1920)

________________________________________________________________

De deur De deur van het hotel trekt een vuile grimas Wat deert het mij dat ik die ene werker was O moederlief voor wie er niets blijkt te bestaan Pimu's die paarsgewijs door droef diep water gaan En zee-engelen gister uit Marseille ontvangen Ik hoor verstervend weer verstervend ver gezang Even discreet als ik ik waardeloze vlerk Ik gaf je wat ik had kind doe gewoon je werk

Uit: 'De mooiste van Apollinaire' (Lannoo/Atlas, 2007)

Vertaling Jan Pieter van der Sterre

Oorlog is goed voor de kunst, o schaamteloze paradox. De voordelen van de Groote Oorlog voor de kunst waren dan ook, welnu, groot. Niet toevallig noemde Gertrude Stein het wereldconflict 'de eerste kubistische oorlog': niemand kon zeggen wat boven of onder was in die waanzin, en alleen een term uit het modernisme kon dat adequaat weergeven. De vroege modernistische kunst zette de Europese werkelijkheid op haar kop, waarna de oorlog de kunst nog eens op haar kop zette, of nee, dat klinkt te vriendelijk, opblies: het surrealisme, het dadaïsme, de gueules cassées uit de loopgraven die in de gezichten van Picasso opdoemden... en het bizarre bij dit bizarre is dat de ontmenselijking van de mens, van de menselijke vorm, mij vooral in de schilderkunst zo vaak ontroert. Die door Modigliani in 1917 geschilderde Blaise Cendrars: een schitterend verwrongen kop, een en al condition humaine...

Ja, wat een tijdperk! Toen leefde je nog als man en kunstenaar. Je was Zwitser in Franse legerdienst, zoals Cendrars, en ze schoten je arm eraf - het resterende stuk dichter liet je tot Fransman naturaliseren, want de natie betekende nog iets, anders was die oorlog ook nergens voor nodig. Je was pianist, zoals de broer van Wittgenstein, ze schoten je arm eraf en het atonale geraas van het slagveld veranderde in het pianoconcert voor de linkerhand dat Ravel speciaal voor jou componeerde.

En de poëzie! Ouwe dyspeptische tantes, verzen neuzelend boven hun thee, zakten door hun korset toen ze Eliot lazen; en Franse poëzieminnaars verslikten zich boven de 'Alcools' in hun vreedzame pastis. Dat boek, verschenen in 1913, begint met de fenomenale regel 'A la fin tu es las de ce monde ancien', en het programmatische openingsgedicht 'Zone' spreekt tientallen regels lang in allerlei onsamenhangende beelden over Parijs en het christendom en de bohème en van alles en nog wat. Wij hebben daar een eeuw aan kunnen wennen, maar voor de toenmalige lezer moet het hebben geleken of de syntaxis ontploft was. Er staat notabene geen enkel leesteken om de weg te wijzen in al die verwarring, want onder invloed van Cendrars had Apollinaire de interpunctie integraal geschrapt.

Het zijn fragmenten uit een verzonken beschaving, al moest die beschaving toen nog verzinken. En toch zingt Apollinaire zijn brokstukken, alsof er ondanks alles een eeuwige harmonie bestaat, iets in de geest van Pythagoras. Lees een willekeurige versregel uit 'Alcools' hardop en de kans is groot dat je in of onder die regel de aloude classicistische alexandrijn voelt deinen, zoals je bij Eliot altijd weer het vijfvoetige geneurie van het Engels kunt horen.

Waarom draagt dat 'Alcools' trouwens zo'n rare titel? Een eerdere dichter, een kind nog, had het begrip 'alchemie van de taal' geïntroduceerd: een beetje poëzieliefhebber was al in het laatste kwart van de negentiende eeuw van zijn stoel gevallen bij Rimbauds aanslag met een zelfgeknutselde bom op het beeld van Apollo. De 'alcoholica' van Apollinaire nu suggereren scheikunde, alchemie, roes... en kort voor het abrupte slot van 'Zone' luidt het:

Et tu bois cet alcool brûlant comme ta vie Ta vie que tu bois comme une eau-de-vie

Eau-de-vie was de werktitel van de bundel. Het leven brandend als levenswater - nee, dit is geen poëzie voor geheelonthouders.

Het gedicht hierboven heb ik vooral gekozen vanwege die sublieme eerste regel, maar wat drukt het verder uit? Het contrast tussen een opwindend, 'dichterlijk', als alcohol brandend leven enerzijds en de grijze werkelijkheid, de loondienst van de massa anderzijds? Wellicht. Maar in de slachting van 1914-1918 was de dichter en de loonslaaf hetzelfde democratische lot beschoren.

'La Porte' illustreert mooi hoe nauwkeurig je moet lezen als de interpunctie je lectuur niet bij voorbaat ordent. Zo is dat slotwoord 'travaille' geen drukfout voor 'travaillé' maar een gebiedende wijs, waaraan je een dubbele punt vooraf moet denken. Maar het gedicht levert ook een gek semantisch probleem op, want wat zijn in hemelsnaam 'pi-mus'?

Dat woord staat in geen enkel mij bekend woordenboek. Een check op het 'Wordreference Forum' levert dit op: 'Les poissons pi-mu (aux yeux accouplés) n'ont qu'un oeil; les oiseaux pi-hi (aux ailes accouplés) n'ont qu'une aile. Ils vont toujours par couple.' Deze vissen (en vogels) komen uit China. De vogels vliegen altijd paarsgewijs (het mannetje rechts, het vrouwtje links); en ook de vissen zwemmen altijd als koppel. Ik bespaar u de wijsgerige gedachten over liefde en poëzie die me bij het lezen van deze zoölogische info overvielen.

Blader verder, postmoderne lezer! Liefst in mijn exemplaar uit 1920, het geboortejaar van mijn vader, zo'n boekje met zwarte en rode letters op het omslag en papier dat onder je vingertoppen als vilt aanvoelt. En gedenk Wilhelm de Kostrowitzky, wonderkind, dichter, modernistisch mens, die in 1918 aan de Spaanse griep bezweek, evenals miljoenen vergetenen, onder wie twee van mijn vier overgrootvaders.

Onze partners