Jan Nolf
Jan Nolf
Erevrederechter en justitiewatcher
Opinie

18/01/13 om 08:58 - Bijgewerkt om 08:58

'Beperking op recht op hoger beroep zal veel onrecht opleveren'

De zaak Yves Desmet is een excellente gelegenheid om het recht op hoger beroep opnieuw van onder het stof te halen.

'Beperking op recht op hoger beroep zal veel onrecht opleveren'

© Belga

Steven De Smet alias @DeFlik op Twitter, Steven De Geynst alias Muffinman en Yves Desmet: een politieman, een activist en een journalist. Ze hebben alle drie iets gemeenschappelijk: alle drie recent veroordeeld in eerste aanleg. Alle drie hadden ze ook het recht om in hoger beroep te gaan.

Van de eerste twee lukte het met klank. Commissaris De Smet was door de Gentse correctionele rechtbank voor inbreuk op het beroepsgeheim veroordeeld tot een maand gevangenisstraf. Veel straffer was het uitgevallen voor Muffinman: 6 maand gevangenis voor recuperatie van vervallen muffins uit een afvalcontainer, ook als protest bedoeld tegen onze wegwerpmaatschappij. In beide gevallen volgde naderhand in beroep een vrijspraak.

De verrassende veroordeling van journalist Desmet viel in een burgerlijke zaak, maar dat verschil maakt voor deze discussie niets uit. Ook hij heeft immers recht op een tweede behandeling 'ten gronde' van de zaak tegen hem aangespannen door (de echtgenote van) de Antwerpse procureur-generaal Yves Liégeois.

Ook Yves Desmet maakt nu van dat recht op hoger beroep effectief gebruik. Je hoeft - zoals ten tijde van het Romeinse recht - geen ingewanden van kippen te raadplegen om een goed perspectief te hebben op de bis-behandeling in beroep. De meest vooraanstaande professoren in mediarecht (o.a. Leo Neels op Knack.be) lieten in hun opinies al geen spaander heel van de inderdaad wonderlijke Mechelse uitspraak: wie verwart nu nog onderzoeksjournalistiek met een opiniestuk, en een opiniestuk met "objectieve berichtgeving" ?

Dat laatste vonnis is ondertussen een excellente gelegenheid om het recht op hoger beroep opnieuw van onder het stof te halen.

Vooreerst wordt dat recht ten onrechte als een evidentie aanzien. Immers wordt de mogelijkheid om hoger beroep aan te tekenen niet als een fundamenteel recht erkend door het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Evenmin maakt het volgens het Mensenrechtenhof noodzakelijk deel uit van een fair proces. Dat verklaart meteen dat de beroepsmogelijkheid in onze procedureregels beperkt wordt bij zaken die van gering belang worden geacht, bv. vorderingen bij de vrederechter onder de ¤1.240.

Ten tweede wordt het hoger beroep meer en meer als een onnodige "luxe" - lees verspilling - beschouwd. In De Juristenkrant van 20 april 2011 bepleitten o.m. de professoren Bruno Maes en Piet Taelman de beperking ervan. Justitie zou belangrijker prioriteiten hebben dan haar werk over te doen. Aan de versnelling van lanterfantende procedures moet dan voorrang verleend: de 'single shot strategy' volstaat - uiteraard op voorwaarde dat het dan raak en goed is.

Minister van Justitie Turtelboom (Open VLD) heeft daar hoofdzakelijk uit overwegingen van - u raadt het - besparing oren naar en kondigde hervormingen aan om het recht op hoger beroep te beperken (interview in Knack van 12 december). Dat zou inderdaad meteen het aantal procedures merkwaardig verminderen. Merkwaardig dat ook hier weer geen werklastmeting wordt afgewacht. Is het echt en overal wel zo dat overbelasting verantwoordelijk zou zijn voor mindere kwaliteit in het juridisch werk ?

Die plannen moeten daarenboven gekoppeld worden aan het project van de familierechtbank. Dat betekent o.a. dat in ruil voor het werk dat van de vrederechter naar de verre rechtbank van eerste aanleg wegstroomt (bv. partnerproblemen), andere taken naar hen terugstromen. Bijgevolg krijgen vrederechters niet alleen talrijker en financieel veel omvangrijker zaken voorgeschoteld. Ze zullen dat daarenboven ook tot ongekende hoogtes in laatste aanleg doen, dus zonder recht op hoger beroep.

Om het ingrijpend belang van de verstrenging van die beroepsgrens te illustreren: vrederechters zullen in de toekomst over hogere bedragen in laatste aanleg oordelen (tot ¤2.000) dan de maximumgrens die op dat punt nu geldt voor de rechtbank van eerste aanleg (tot ¤1.860). Kortom, stel u voor dat vandaag plots geen hoger beroep meer mogelijk waren tegen eender welk vrederechtelijk vonnis in factuurzaken. Het idee zou weggelachen worden. Maar in combinatie met de familierechtbank raakt het er dus wellicht geruisloos door.

De vraag stelt zich bijgevolg naar de afweging tussen wat als managing efficiency gepromoot wordt en de menselijke feilbaarheid die ook een rechter niet vreemd is.

De twee hierboven aangehaalde strafrechtelijke missers betroffen nochtans geen kruimelzaakjes van 13 in een dozijn. Een veroordeling van een mediagenieke politiecommissaris zet zijn carrière op de helling. Muffinman stelde de rechtbank zowel sociaal als juridisch een princiepsvraag. Je zou veronderstellen dat ook bij hoge werkdruk in zo'n dossiers een minutieuze zorgvuldigheid aan de dag wordt gelegd. In strafzaken geldt daarenboven als uitweg de regel dat bij twijfel vrijspraak moet volgen, wat uiteindelijk toch gebeurde bij Muffinman. Bij De Flik betrof de "geheimhouding" geen ambtelijk document. Maar telkens werd dat pas in beroep allemaal rechtgetrokken.

De procedure tegen Yves Desmet is dicht bij een staatszaak en toch slaagt de rechtbank er in eerste aanleg - nota bene na maximaal lang uitgesteld beraad - in de vloer te vegen met vrij evidente beginselen van mediarecht en Europese rechtspraak. Zelf als de minderheidsrechtspraak van vandaag soms de meerderheidsrechtspraak van morgen voorspelt en het juridisch debat vaak spreidstanden toelaat is de rechtzoekende - en het publiek - gebaat bij een vertrouwenwekkende rechtszekerheid. Integendeel lijkt nu eerder opnieuw twijfel gezaaid over de kwaliteit van de rechtsgang.

Niet alleen de minister van Justitie moet daar lering uit trekken: ook de magistratuur zelf moet minder zelfgenoegzaam in de spiegel kijken. Met professor Storme sr. en Walter Van Steenbrugge herhaalde ik al vaker (Knack 13 juni 2012) dat het probleem van de gerechtelijke achterstand niet ligt in een tekort aan rechters, maar een teveel. Mits een betere selectie kan het sneller, beter, en met minder rechters. Maar uiteraard deels andere. Als voor die selectie nu niet meer de politiek verantwoordelijk is maar de Hoge Raad voor de Justitie, ligt de bal weer eens in haar kamp. Wanneer op dat hoogste niveau zélf geen kwaliteitsbewaking bestaat en de politiek er nog steeds kind aan huis blijft, weten we dat de oplossing niet voor morgen is.

Bijgevolg dreigen binnenkort duizenden kleine burgers voor de zaken waar ze dagelijks wakker van liggen, het recht ontnomen te worden voor een 'second opinion' van een rechter in hoger beroep. Ook die heeft de waarheid niet in pacht, maar toch zal die beperking veel onrecht opleveren: vraag het maar aan de twee Stevens, De Flik en Muffinman.

En onrecht, mevrouw de minister, dat is pas de smet op justitie: bespaar dus daarop.

Jan Nolf






Onze partners