Liesbet Sommen (CD&V)
Liesbet Sommen (CD&V)
Directeur Sociale Zaken van vicepremier Kris Peeters (CD&V)
Opinie

26/06/15 om 10:00 - Bijgewerkt om 10:26

'Waarom reduceren zo velen elkaar in het verkeer tot hindernissen die moeten worden weggejaagd?'

'Burgers hebben het recht om veel te verwachten van de overheid en de politiek, ook in het verkeer', schrijft Liesbet Sommen (CD&V). 'Maar met een hoffelijke houding zouden ze werkelijk ook bijdragen aan de oplossing van het probleem.

'Waarom reduceren zo velen elkaar in het verkeer tot hindernissen die moeten worden weggejaagd?'

Files © BELGA

Een nieuwe campagne voor meer hoffelijkheid in het verkeer is nodig. Bestuurders raken overmatig gefrustreerd door de mobiliteitsknoop die maar niet ontward wordt. Maar ze moeten zelf ook wat meer bijdragen aan de oplossing voor dit probleem. De burger mag en moet veel verwachten van de politiek, maar hoffelijkheid, dat begint bij hemzelf.

Het departement Mobiliteit en Openbare Werken heeft momenteel een campagne lopende om 'middenrijstrookplakkers' aan te sporen meer op het rechterbaanvak te gaan rijden. En terecht.

Heer in het verkeer

Sinds ik het openbaar vervoer noodgedwongen na een verhuis inruilde voor woon-werkverkeer met de wagen, merk ik dat ook een andere campagne nog eens van onder het stof gehaald dient te worden: eentje voor meer hoffelijkheid in het verkeer. Wees een heer in het verkeer. Iedereen kent de slogan, maar veel te weinig handelen er ook naar.

Om mijn avondlijke reistijd na 19u30 in te korten van anderhalf treinuren naar veertig autominuten, doorsta ik vijf dagen per week de enerverende files. Wat ik daar zie, doet mij stilstaan bij de aard van onze burgers, bij onze gemoedsgesteldheid.

Middelvingers

Vanmorgen nog werd een nietsvermoedende gezinswagen op de linkerrijstrook van de E19 het lijdend voorwerp van een druk gesticulerende motorijder, die aan een veel hogere snelheid tussen de auto's door slalomde. De wijsvinger werd herhaaldelijk richting helm getikt; ik vrees dat zelfs de middenvinger er aan te pas kwam. Wat deed die arme bestuurder in de personenwagen verkeerd? Niets. Hij ging blijkbaar gewoon niet snel genoeg, en één ogenschijnlijk verkeerde beweging volstond voor de gemotoriseerde passant om door het dak te gaan.

Of gisteren: na in de Brusselse Wetstraat schouder aan schouder te hebben aangeschoven, dient eenieder (ook ik) van de rechterkant in te voegen naar links om in die richting te mogen afslaan. Vóór mij wordt geritst, maar de chauffeur vlak naast mij is hierop niet erg happig. Een tweetal minuten blijf ik pinken, tot ergernis van de mensen in de file achter mij, die mijn buur hiermee verergert. Oogcontact en een expliciete lipleesvraag aan zijn adres om in te mogen voegen, leveren mij twee handgebaren op. Eerst de middelvinger, en nadien een achterwaartse duim. Als teken dat ik maar achteraan moet aansluiten.

Claxonneren

In mijn geliefde Antwerpen ondervind ik intussen een opmerkelijke toename van een kwalijk gebruik, dat ik al kende uit een verleden, woonachtig te Brussel: het voortdurende, ongeoorloofde, te pas en te onpas... getoeter. Wanneer het verkeerslicht op groen springt, kan men tegenwoordig al niet meer vliegensvlug in eerste schakelen, alvorens doelwit te worden van het geclaxonneer van een medeburger achter zich.

Zo gebeurde het ook dit weekend, dat ik vóór het rechts afslaan op een kruispunt nog eerst een ouderpaar met drie tienerdochters overliet. Op dat ogenblik had een andere Antwerpenaar zich reeds achter mij in vertrekpositie gezet, wiens planning door mijn beslissing klaarblijkelijk danig in de war werd gestuurd. Een luide tuut-tuut was te horen toen de jongste dochter één van beide voeten net op de stoep aan de overkant zette. Hieruit leid ik af dat ik een fout had gemaakt: met mijn dralend gedrag had ik die voetgangers te kennen gegeven dat ze eerst mochten oversteken. De man achter mij meende echter iets veel belangrijkers aan de hand te hebben, dan hierop te wachten.

384 Vlaamse verkeersdoden. Per jaar.

Hoewel het aantal verkeersongevallen in heel België tussen 2012 en 2013 gelukkig daalde met 7 procent, was dit in Vlaanderen niet het geval. Het cijfer bleef hier steken op exact hetzelfde aantal, namelijk 384. Het aantal slachtoffers onder zwakke weggebruikers daalt sinds 2005 bovendien amper, en hun aandeel in het totaal aantal getroffenen neemt daardoor toe. In 2014 werd zelfs een stijging van het aantal verkeersdoden vastgesteld.

Frustratie

Wat is er aan het gebeuren? Waarom reduceren zo velen elkaar in het verkeer tot hindernissen, die met zo veel mogelijk agressie en snelheid van de baan moeten worden gejaagd? De mobiliteitsknoop die maar niet ontward wordt, zal daar vast veel mee te maken hebben. Het frustreert bestuurders. De braafste huisvader kan in de cocon van de wagen plots een anonieme bullebak worden. Velen zien zich gedwongen om iedere dag opnieuw de flessenhals van het spitsuur te trotseren. Het gebrek aan alternatief leidt tot een zekere wanhoop, stress en ongeduld.

De burger kan ook zelf iets doen

Er wordt, terecht, naar het beleid gekeken om de klus te klaren. Dat politici hierbij daadkracht wordt verweten, is gezien de stand van het file-land ook begrijpelijk. Maar verkeerstechnisch is het duidelijk dat ook de burger zélf iets kan ondernemen. Ritsen is verplicht en wordt zelfs beboet indien het niet wordt toegepast; de reden hiervoor is zuiver wetenschappelijk, namelijk dat het verkeer er vlotter mee verloopt. Toeteren mag alleen in hoognodige gevallen. Verbale verkeersagressie is kwetsend en schept onveilige toestanden. Om nog maar te zwijgen over de excessen van fysieke agressie.

Hoffelijkheid

Beheerste emoties, geduldig rijden, gedoseerde manoeuvres zijn enkele van de vele vormen van hoffelijkheid. En hoffelijkheid is fundamentele beleefdheid: respect voor medemensen. Burgers hebben het recht om veel te verwachten van de overheid en de politiek, ook in het verkeer, maar met een hoffelijke houding zouden ze werkelijk ook bijdragen aan de oplossing van het probleem.

Lees meer over:

Onze partners