Ward Yperman & Louise Reyntjens
Ward Yperman & Louise Reyntjens
Doctoraatsstudenten KU Leuven
Opinie

31/05/18 om 16:01 - Bijgewerkt op 01/06/18 om 07:34

'Ook na Luik mogen we de dreiging die uitgaat van maatregelen tegen terrorisme niet negeren'

Roemenië en Litouwen zijn schuldig bevonden voor het samenwerken met de CIA, waardoor die op Europese bodem mensen kon mishandelen en folteren. Doctoraatsstudenten Ward Yperman en Louise Reyntjens (KU Leuven) nemen naar aanleiding van de veroordeling de terreurmaatregelen van ons land onder de loep.

'Ook na Luik mogen we de dreiging die uitgaat van maatregelen tegen terrorisme niet negeren'

Mensen leggen bloemen neer waar dinsdag 29 mei een gewapende man twee agenten en een voorbijganger doodschoot, Luik, 30 mei 2018. © Belga

Vandaag heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg uitspraak gedaan over de medewerking van enkele Europese Lidstaten aan de beruchte CIA blacksites, de voorlopers van Guantanamo Bay. Hierbij werd, na de aanslagen van 9/11, Europees grondgebied ter beschikking van de Amerikaanse inlichtingendienst gesteld om zogenaamde high value detainees heimelijk vast te houden, waardoor de CIA hen in incommunicado-detentie kon houden en hen kon onderwerpen aan verschillende vormen van mentale en fysieke mishandeling en foltering.

Delen

Ook na Luik mogen we de dreiging die uitgaat van maatregelen tegen terrorisme niet negeren.

Het Hof bevond Roemenië en Litouwen unaniem verantwoordelijk voor hun medewerking hieraan en de hieruit voortvloeiende schendingen van meerdere fundamentele rechten, waaronder het verbod op foltering, het recht op vrijheid en veiligheid, het recht op familie- en privéleven en het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel.

In de strijd tegen terreur was dit ongetwijfeld één van Europa's dieptepunten; de medewerking van lidstaten van de Europese Unie aan het extraordinary rendition program van de CIA staat haaks op alle fundamentele rechten die wij - zogenaamd - hoog houden. Meer nog, de hele bedoeling van dit programma was net om individuen expliciet buiten de werking van het recht te stellen. Of en hoe waarschijnlijk het zou zijn dat we in onze eigen Europese strijd tegen het terrorisme zo'n maatregelen ter hand nemen, laten we in het midden. Het arrest biedt echter wel een goede gelegenheid om na te denken over de plaats die fundamentele rechten (nog) hebben in de strijd tegen terrorisme in Europa, de beweerdelijke behoeder van 'de mensenrechten'; en meer specifiek, welke plaats zij hebben in het terreurbeleid van België.

Ook België nam immers bekritiseerbare terreurmaatregelen. Op drie jaar tijd, naar aanleiding van de aanslagen in Parijs en Brussel, stelde onze Minister van Justitie eerst een twaalfstappenplan voorop, daarna een achttienstappenplan, aangevuld met nog enkele individuele maatregelen, waardoor de teller van genomen terreurmaatregelen ondertussen op meer dan dertig staat; sommigen hiervan terecht, sommigen betwistbaar.

Het zou een onmogelijke taak zijn om, in enkele alinea's, alle potentiële mensenrechtelijke problemen weer te geven die deze maatregelen teweegbrengen. Dit is ook geenszins de bedoeling van dit artikel. De bedoeling is om, door middel van een aantal concrete voorbeelden, aan te tonen dat we naar een systeem zijn geëvolueerd waar de zogenaamde 'universele' mensenrechten misschien helemaal niet zo algemeen geldend en vanzelfsprekend zijn als we onszelf graag voorhouden.

Een terreurbeleid zonder duidelijke wettelijke basis

Een eerste voorbeeld bevindt zich in het kader van het vreemdelingenrecht, een rechtstak die onze huidige overheid veelal ten dienste heeft gesteld van veiligheid. De Nieuwe Belgische Vreemdelingenwet, ingevoerd in twee golven in februari en maart 2017, zette de deur open voor potentiële misbruiken. Alle 'beveiligingsmaatregelen' die we terugvinden in de Vreemdelingenwet, van uitwijzing van terreurverdachten over de weigering van deze personen aan de grens, tot de respectievelijke procedurele bescherming die met deze maatregelen gepaard gaat, worden namelijk afhankelijk gemaakt van de zeer algemene term 'nationale veiligheid'.

Delen

De Dienst Vreemdelingenzaken beschikt, dankzij het gebrek aan een duidelijke wettelijke basis, over zo'n grote discretionaire bevoegdheid dat er een risico op arbitraire beslissingen is.

Wat onder 'nationale veiligheid' valt of kan vallen, wordt door de wetgever in het midden gelaten. Hiermee legt deze laatste alle macht in handen van de administratie, die dit concept bovendien nogal ruim invult. Afgelopen maand nog riep de Raad voor Vreemdelingenbetwisting, de beroepsinstantie van de Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ), deze laatste terug omdat ze het concept 'nationale veiligheid' onzorgvuldig zou hebben ingevuld. Met andere woorden, DVZ beschikt, dankzij het gebrek aan een duidelijke wettelijke basis, over zo'n grote discretionaire bevoegdheid dat er een risico op arbitraire beslissingen is.

Bovendien blinkt ook het Belgische strafrecht uit in vaagheid wanneer het gaat over terrorisme. Zo is het sinds 2015 een misdrijf het nationaal grondgebied te verlaten of te betreden met het oogmerk een terroristisch misdrijf te plegen. Het grondgebied verlaten of betreden is iets dat wij allemaal wel eens hebben gedaan. Het enige dat tussen ons en een opsluiting van vijf tot tien jaar en een geldboete van honderd tot vijfduizend euro (vermeerderd opdeciemen wordt dit achthonderd tot veertigduizend euro, nvdr.) staat, is de afwezigheid van een terroristisch oogmerk.

Een misdrijf dat zo sterk afhankelijk is van de gedachten van de 'dader' creëert het gevaar van het strafbaar stellen van louter gedachten, in plaats van strafbare daden. Bovendien riskeert dit misdrijf te breed en dus potentieel arbitrair te worden geïnterpreteerd. Zeker in een samenleving waar er nogal eens veralgemeningen durven worden gemaakt over het profiel van de dader is dit een uitermate gevaarlijk gegeven.

Vermindering van procedurele waarborgen

Ook op het vlak van strafprocedure heeft de Belgische wetgever niet stilgezeten. Waar er in Frankrijk gekozen is voor het systeem van een noodtoestand, heeft de Belgische wetgever het over een andere boeg gegooid: geen allesomvattende noodtoestand, maar wel kleine aanpassingen hier en daar, die redelijk onopgemerkt passeren. Zo beschermt de huiszoekingswet de burger tegen nachtelijke huiszoekingen, behalve wanneer het onderzoek betrekking heeft op terrorisme. Het recht op privacy en familieleven moet dan even wijken.

Delen

Een maatregel die oorspronkelijk voorgesteld was om het hoofd te bieden aan de terroristische dreiging is nu gewoon algemeen toepasselijk.

Vervolgens werd ook het in de grondwet verankerde principe dat niemand voor meer dan vierentwintig uur van zijn vrijheid beroofd kan worden zonder rechterlijke tussenkomst, een grondwettelijke bescherming van het recht op vrijheid, aangepast. Het oorspronkelijke voorstel om hier tweeënzeventig uur van te maken in onderzoeken naar terrorisme werd niet aangenomen, maar wel vervangen door een nieuwe algemene regel. Nu kan iedereen, dus niet enkel verdachten van terrorisme, voor achtenveertig uur van zijn vrijheid beroofd worden zonder dat de onderzoeksrechter moet tussenkomen.

Een maatregel die oorspronkelijk voorgesteld was om het hoofd te bieden aan de terroristische dreiging is dus nu gewoon algemeen toepasselijk. Bovendien, wanneer de onderzoeksrechter na deze achtenveertig uur dan beslist een bevel tot aanhouding (het begin van de voorlopige hechtenis, nvdr.) af te leveren, is de motiveringsverplichting lichter wanneer het gaat om een terreurverdachte. Deze punctuele aanpassingen aan het strafprocesrecht, hoewel oorspronkelijk bedoeld ter versterking van onze nationale veiligheid tegen terroristen, kunnen een grote impact hebben op ieders fundamentele rechten.

Het verbod op foltering en onmenselijke behandeling

Tot slot wordt ook, deze keer weer via het vreemdelingenrecht, het verbod op foltering op slinkse wijze onder druk gezet; een verbod waar de huidige administratie bovendien al meer dan één keer mee in de problemen is gekomen. De Belgische wetgever heeft via een reeks procedurele hervormingen de bescherming die vreemdelingen genoten onder de oude wet gereduceerd naar een fractie van wat het ooit was. Dit onder meer door de afschaffing van het automatisch schorsend beroep wanneer niet nader gespecifieerde 'nationale veiligheidsredenen' in het spel zijn, door de afschaffing van de Commissie voor Advies voor Vreemdelingen en door de indeling van vreemdelingen in nieuwe (dubieuze) categorieën.

Concreet leiden deze wijzigingen tot de volgende situatie: een niet-Belg is in België geboren en heeft hier gedurende de afgelopen dertig jaar legaal gewoond, geleefd en zijn leven in alle aspecten uitgebouwd. Hij wordt ervan beschuldigd een gevaar te vormen voor de nationale veiligheid. Vroeger zou hij, vanuit het idee dat iemands privéleven beschermd dient te worden, nooit het land kunnen worden uitgezet. Nu kan dat wel. En onmiddellijk zelfs, dankzij de afschaffing van het schorsend beroep. Dit alles bovendien zonder dat de feiten bewezen zijn en zonder enige vorm van voorafgaande rechterlijke controle. De Commissie van Advies voor Vreemdelingen zal immers haar stem niet langer kunnen laten gelden, de Raad voor Vreemdelingenbetwisting zal dat dan weer vaak slechts a posteriori kunnen. Hoewel deze eerste geen rechterlijke instantie uitmaakte, vormde ze niettemin een aanzienlijke waarborg. Ze maakte namelijk een belangenafweging tussen de voordelen voor de veiligheid van de staat en de gevolgen van de maatregel voor de getroffene. Het verbod op foltering is absoluut en haar schade is doorgaans onomkeerbaar. Een a posteriori rechterlijke controle hierop is slechts een schrale troost.

Dit is slechts een greep uit de reeks aanpassingen die het Belgisch terreurbeleid uitmaken. Bovendien zijn deze aanpassingen in onze wetgeving verankerd en zullen ze dus niet (zoals in Frankrijk na het eindigen van de noodtoestand) verdwijnen uit ons rechtsbestel. Hoewel de mogelijke aanslag van dinsdag in Luik ons op een tragische manier heeft herinnerd aan het gevaar van terreur, mogen we nooit uit het oog verliezen welke dreiging uitgaat van de maatregelen die de staat neemt tegen terrorisme. We vragen ons nog amper af of de genomen maatregelen noodzakelijk, terecht, of rechtvaardig zijn, en al helemaal niet of die zullen bijdragen aan de totstandkoming van een betere maatschappij op lange termijn. We moeten leren die vragen opnieuw te stellen.

Ward Yperman en Louise Reyntjens zijn doctoraatsstudenten aan de KU Leuven.

Onze partners