'Hoe sneller, hoe beter' geldt niet altijd bij reanimatie

02/08/12 om 15:29 - Bijgewerkt om 15:29

(Belga) Het reanimeren van een persoon wordt minder efficiënt naarmate het indrukken van de borst te snel gebeurt. Dat is de opvallende conclusie van een wetenschappelijke studie onder leiding van prof. Koen Monsieurs, diensthoofd spoedgevallen in het UZA (Universitair Ziekenhuis Antwerpen). "Hulpverleners denken vaak in termen van 'hoe sneller, hoe beter', maar nu blijkt dat de reanimatie minder efficiënt wordt naarmate ze echt te snel gaan", zegt Monsieurs.

'Hoe sneller, hoe beter' geldt niet altijd bij reanimatie

Voor de nieuwe studie gebruikten Monsieurs en zijn collega's een zogenaamde 'accelerometer' om de snelheid en de diepte van borstcompressies te meten. Tijdens het onderzoek werden reanimaties op 133 patiënten geanalyseerd, allen uitgevoerd door professionele hulpverleners. Monsieurs stelde vast dat de diepte van de compressies een erg belangrijk effect heeft op de slaagkans van een reanimatie. Sowieso geldt wereldwijd momenteel al een minimale diepte van 5 centimeter. "Hoe dieper ze zijn, hoe groter de kans dat een defibrillator het hart terug op gang kan brengen en dat de patiënt levend het ziekenhuis bereikt", bevestigt Monsieurs. "Diepere borstcompressies zorgen ervoor dat er meer bloed stroomt naar het hart en de hersenen, de belangrijkste organen om in leven te blijven." Net om voldoende diepte te kunnen garanderen, is het volgens Monsieurs belangrijk dat de compressies niet te snel na elkaar gebeuren. Op basis van zijn bevindingen legt Monsieurs een bovengrens vast van 145 keer drukken per minuut. Internationale richtlijnen spraken tot nu toe enkel van een minimum van 100 compressies per minuut. (MVL)

Onze partners