Het failliet van de Vlaamse jeugdzorg

01/03/11 om 16:31 - Bijgewerkt om 16:31

Duizenden Vlaamse jongeren komen in de hulpverlening terecht. Maar daar passen ze vaak in geen enkel vakje en worden ze keer op keer uitgespuwd.

Het failliet van de Vlaamse jeugdzorg

© Lies Willaert

In een driedelige reeks neemt Knack de Vlaamse jeugdhulpverlening onder de loep.

Het aantal jongeren in de Bijzondere Jeugdzorg is op 5 jaar tijd met 7000 toegenomen tot meer dan 24.000. Het gaat maar om 3000 jonge delinquenten, de andere 21.000 zijn jongeren in een problematische opvoedingssituatie.

Die toename heeft onder meer de maken met het feit dat ouders en leerkrachten doodsbang zijn om symptomen over het hoofd te zien die op ernstige problemen kunnen wijzen. 'De helft van de consultaties van jeugdpsychiaters gaat dezer dagen bijvoorbeeld op aan kinderen van wie de ouders of leerkrachten vermoeden dat ze autisme of ADHD hebben', zegt kinder- en jeugdpsychiater Dirk Deboutte. 'Dat fenomeen wordt vooral versterkt door het feit dat scholen alleen bijkomende hulp kunnen krijgen als ze leerlingen hebben met ADHD of autisme. Geen wonder dus dat die diagnoses de pan uit swingen.'

Daarnaast is het vooral de organisatie van de jeugdhulpverlening zelf die de hulpvraag doet toenemen. Jongeren die met het een of andere probleem worstelen, komen in eerste instantie vaak bij een CLB of een Centrum voor Algemeen Welzijnswerk (CAW) terecht. 'Maar de kans is reëel dat ze daar oordelen dat je problemen niet binnen hun aanbod passen en dat ze je doorverwijzen', zegt Kris Claes, directeur van het begeleidingsprogramma Youth At Risk (YAR). 'En jongeren die binnen die toegankelijke hulpverlening van organisatie naar organisatie worden gestuurd, zijn natuurlijk potentiële klanten voor de Bijzondere Jeugdzorg.'

Maar zelfs als tieners vlot bij CLB's en CAW's terechtkunnen, wordt de instroom in de zwaardere hulpverlening niet meteen afgeremd. Integendeel. Die organisaties hebben namelijk de neiging om hen meteen door te verwijzen. 'Nochtans is er in veel gevallen vooral nood aan steun en niet meteen aan hulpverlening', aldus Roose. 'Het is niet omdat een jongen zegt dat hij een probleem heeft dat hij daar ook onmiddellijk een oplossing voor wil. Soms kan het ook volstaan om gewoon te luisteren.'

Nogal wat instanties hebben ook de gewoonte om problemen meteen te labelen en er dan een pasklare oplossing voor aan te reiken. Ook dat vergroot de instroom in de jeugdhulpverlening. 'Men gaat meestal uit van de afwijkende kenmerken van jongeren', zegt Karel De Vos van Jongerencentrum Cidar. 'Ze lijsten de kenmerken van een bepaalde groep, zoals de spijbelaars, op en op basis daarvan worden oplossingen aangereikt. Maar zodra zo'n definitie is geformuleerd, duiken er gevallen op die niet in dat hokje passen en waarvoor weer andere oplossingen moeten worden gevonden. Zo kun je natuurlijk bezig blijven. Het is ook niet omdat iemand een stoornis heeft, dat die niet kan functioneren. Dat hangt grotendeels van zijn situatie af.'

(APE)

Lees meer over:

Onze partners