Vrije Tribune
Vrije Tribune
Knack.be geeft hier een forum aan columnisten en gastbloggers
Opinie

12/11/14 om 14:23 - Bijgewerkt om 14:23

Het belang van de partijleden: size doesn't matter

'Open VLD is op dit moment de grootste ledenpartij, iets waar de Vlaamse liberalen graag mee uitpakken. Maar tegelijkertijd dringt de fundamentele vraag zich op: heeft een partij überhaupt nog zoveel leden nodig?', aldus politicologen Tom Schamp, Bram Wauters en Carl Devos (UGent).

Het belang van de partijleden: size doesn't matter

Gwendolyn Rutten (Open VLD), Charles Michel (MR), Bart De Wever (N-VA) en Wouter Beke (CD&V) © Belga

Af en toe duiken cijfers over partijleden in de media op. Zo ook vorige week. Traditioneel gaat de aandacht dan vooral naar de vraag wie de grootste ledenpartij van het moment is. Deze keer viel die eer Open VLD te beurt. Iets waar de Vlaamse liberalen graag mee uitpakten. Andere klassiekers in die beschouwingen die de ruwe beschrijving niet overstijgen, zijn de stijgers (N-VA en in mindere mate Groen) en de dalers (CD&V, SP.A en Vlaams Belang). Vaak ontbreekt bij die cijfers de nodige nuancering. En vooral de meer fundamentele vraag of een partij überhaupt nog zoveel leden nodig heeft en die precieze omvang er dus nog toe doet.

Relativiteit van ledenaantallen

Belangrijk en hinderlijk daarbij is dat objectieve cijfers niet bestaan. Tenminste, er zijn geen volledig betrouwbare data. De gepresenteerde cijfers worden door de partijen zelf aangeleverd. En die partijen hebben er belang bij om dat ledenaantal zo hoog mogelijk te zien. Partijen willen immers groot zijn of het alvast worden, illustreren dat ze populair en van het volk zijn. Er is geen externe controle op de informatie die ze aanleveren.

Dat betekent niet eens dat ze liegen of de zaak bedriegen. Zelfs als partijen hun ledenaantallen volgens hun eigen regels correct doorgeven, zit er nog altijd heel wat ruis op. Dat heeft te maken met specifieke formules, zoals gezinslidmaatschappen (waarbij in sommige partijen ook pasgeborenen lid kunnen worden), gratis lidmaatschappen voor jongeren en andere doelgroepen die binnen de partij soms heel goed georganiseerd zijn zoals de vrouwen en de ouderen (vaak gratis voor het eerste jaar maar die stilzwijgend kunnen doorlopen), lokale afdelingen die het partijlidmaatschap kunnen voorschieten, de automatische verlenging van het lidmaatschap door lokale partijafdelingen, en lidmaatschappen voor meerdere jaren (zodat je tot jaren na je dood als partijlid wordt geteld). Bij verschillende partijen bestaan verschillende van dergelijke praktijken, die zorgen dat het officieel aantal leden kunstmatig hoger ligt dan het werkelijk aantal leden. Daarmee bedoelen we het aantal mensen dat zelf bewust (betalend) partijlid is.

Gwendolyn Rutten, voorzitter van Open VLD

Gwendolyn Rutten, voorzitter van Open VLD © Belga

Daarom is de grootteorde van het aantal leden veel belangrijker dan het exacte aantal. Er zitten immers soms wat rare sprongen in de evoluties van die meegedeelde ledenaantallen. Zo zou, volgens de cijfers die wij kregen, Open VLD al sinds 2012 de meeste leden tellen en zou SP.A het voorbije jaar meer dan 12 % leden hebben bijgewonnen. Het ontbreekt in deze dus aan transparante en universele spelregels, elke partij heeft eigen systemen. Dat maakt dat partijen die deze transparantie van andere actoren (bv. vakbonden) vragen ook voor eigen deur kunnen vegen.

Relevantie van partijleden

Belangrijker dan deze cijferdiscussie is de vraag hoe relevant het aantal partijleden vandaag nog is. En wat dus de relevantie is van de discussie over het precieze aantal en wie er het meest van kan werven?

Uit bevragingen van partijleden weten we dat ongeveer de helft van hen nooit deelneemt aan een externe activiteit die door de (lokale) partij georganiseerd wordt en dat meer dan 80 % nog nooit een nationaal congres heeft bijgewoond. Een groot deel van de partijleden doet dus niet veel meer dan een lidkaart kopen om de partij moreel of in heel beperkte mate financieel te steunen. Maken we abstractie van de gezinslidmaatschappen, van de gratis lidmaatschappen, enzovoort dan kost 'een lidkaart' vaak niet meer dan 10 à 15 euro, maar de opbrengt per 'geregistreerd lid' ligt echter stukken lager (op ongeveer 5,5 euro/lid). Voor elk van die leden zijn de uitgaven aan communicatie (ledentijdschrift, verzending van brieven, lidkaart, magazines etc.) en de organisatie van feesten en congressen niet zelden groter dan die jaarinkomsten. Partijen worden dus niet rijk door meer leden te hebben. Voor het geld hoeven ze het niet te doen.

Daarbij komt dat de criteria van de deliberatieve democratie of Web 2.0 partijen nopen tot een zoektocht naar actievere participatievormen. En naar andere input, van andere burgers. Al was het maar omdat het klassieke ledenbestand niet meer representatief is voor de kiezers die partijen op het oog hebben.

Delen

Het belang van de partijleden: size doesn't matter

In aanloop naar de verkiezingen van 25 mei namen zowel CD&V als Open VLD een initiatief (resp. Innesto en M34) waarbij buitenstaanders zonder partijlidkaart input konden geven voor het partijprogramma. Door deze initiatieven werden klassieke partijleden (met partijkaart) als het ware 'gepasseerd' door de partijtop. Voor het detecteren van nieuwe ideeën lijken partijen dus zelf aan te geven dat leden niet meer noodzakelijk zijn.

De meest verregaande houding tegenover partijleden wordt aangenomen door de Nederlandse PVV van Geert Wilders. Deze wil expliciet geen partijledenorganisatie zijn. Zijn partij telt maar één lid, Geert Wilders zelf. Dat heeft echter niet verhinderd dat die partij electoraal zeer succesvol geweest is.

Waarom partijleden toch nog nuttig kunnen zijn

Nochtans moeten partijleden nog niet helemaal afgeschreven worden. Traditioneel worden verschillende functies toegedicht aan partijleden: ze geven signalen over wat er leeft in de samenleving, ze blijven een bron van financiële inkomsten voor de partij want naast de ledenbijdrages zijn er bijv. in tijden van verkiezingen ook beperkte privégiften mogelijk, ze zijn lokale partij-ambassadeurs, ze kunnen ingezet worden tijdens verkiezingscampagnes om affiches te plakken en folders te bussen, ze vormen een poel waaruit kandidaten kunnen gerekruteerd worden voor verkiezingen, etc. Het klopt inderdaad dat er voor een aantal van die functies alternatieven voor handen zijn. Via sociale media, marktonderzoek en verdere professionalisering van de centrale partijorganisatie komen partijen te weten wat er in de samenleving leeft en kunnen ze dit ook vertalen in de partijstandpunten, overheidsfinanciering maakt ledenbijdragen minder relevant en televisie en sociale media geven een spreekbuis aan ambassadeurs die de partijboodschap op veel ruimere schaal kunnen uitdragen.

Maar dat neemt niet weg dat vooral bij verkiezingen partijleden nog erg nuttig kunnen zijn. Partijleden blijven een niet te onderschatten reservoir aan menselijk potentieel waaruit partijen kunnen putten om campagne te voeren, en dat brengt op. Partijen die veel leden kunnen inzetten om folders te bussen, affiches te plakken, markten te bezoeken, etc. halen een beter resultaat bij verkiezingen. Uit onderzoek blijkt een duidelijke parallel tussen het ledenaantal en de electorale score van partijen, al vanaf 1971. Die samenhang is er zowel voor regeringspartijen als voor oppositiepartijen, zowel voor traditionele partijen als voor nieuwe partijen, en de relatie werd sinds de jaren 1990 alleen maar sterker.

Absoluut ledenaantal versus kiezersaantal

Absoluut ledenaantal versus kiezersaantal © .

Noot: Aantal partijleden versus aantal stemmers voor alle Vlaamse vertegenwoordigde partijen samen sinds 1971. Behalve een beperkt aantal afwijkende combinaties en ontdaan van alle nuance voor elke partij apart is er in het algemeen een duidelijke positieve samenhang tussen beide variabelen: hoe meer leden een partij telt, hoe meer kiezers diezelfde partij in de regel dus telt.

Stemhokje

Stemhokje © BELGA

Kunnen we op basis van het ledenaantal van partijen de verkiezingsuitslag dan exact voorspellen? Neen, maar één en ander maakt wel duidelijk dat (actieve) leden ertoe doen en dat partijvoorzitters hun leden beter koesteren.

Ook voor het inzetten van voldoende goede kandidaten is een brede ledenbasis essentieel. Geert Wilders mag dan bij nationale verkiezingen in Nederland hoge ogen gooien, bij de gemeenteraadsverkiezingen moest hij zich bij gebrek aan kandidaten (door een gebrek aan leden) beperken tot het presenteren van lijsten in amper 2 gemeenten. Een partij zonder (voldoende) partijleden moet enkele weken voor de verkiezingen nog snel kandidaten zien te vinden, wat zoals blijkt uit het geval Wilders niet evident is, zeker niet als er heel veel kandidaten per gemeente nodig zijn zoals bij gemeenteraadsverkiezingen.

Op zoek naar een nieuwe aanpak voor partijen

De rode draad in deze twee aangehaalde voorbeelden is dat partijen vooral nood hebben aan actieve partijleden, niet zozeer aan partijleden als dusdanig. Kwaliteit gaat voor kwantiteit. Het maakt dus niet uit hoeveel leden partijen hebben, zolang ze maar een kritische massa van actieve leden hebben.

En daar kan de partij zelf ook op inspelen.

Partijen hebben de laatste decennia meer formele inspraak gegeven aan partijleden, door hen de partijvoorzitter rechtstreeks te laten verkiezen, stemrecht op congressen te geven en door hen te betrekken bij samenstellen van de kandidatenlijsten bij verkiezingen. Belgische partijen zijn op dit vlak in internationaal opzicht zelfs één van de absolute voorlopers.

Maar tegelijkertijd is de rol van het klassieke partijlid de voorbije jaren steeds verder ingekapseld in duidelijk afgebakende partijstructuren, in flowcharts en in managementprocessen. Ruimte voor ad hoc initiatieven zijn daardoor veel beperkter dan vroeger. De inspraak-activiteiten worden daarenboven strak gedirigeerd vanuit de top. Het doorsneepartijlid heeft vandaag vooral een rol in een door de partij vooraf uitgeschreven scenario, waarbij het aantal (ernstige) kandidaten bij voorzittersverkiezingen beperkt is, voorstellen op partijcongressen vooraf gefilterd worden en leden enkel modellijsten met kandidaten kunnen goed- of afkeuren.

Delen

De Nederlandse PVV van Geert Wilders wil geen partijledenorganisaties. Zijn partij telt maar één lid, Geert Wilders zelf. Dat heeft echter niet verhinderd dat die partij electoraal zeer succesvol geweest is.

Door deze inspraak ernstiger te nemen en ruimte te laten voor effectieve inbreng, zouden partijen nog meer kunnen halen uit hun actieve leden en hen zo tegelijkertijd aanzetten om (nog) actiever te worden.

De recente implementatie door partijen van computersystemen voor de opvolging van leden, die gebaseerd zijn op Customer Relation Management inzichten en tools, kan hierbij eveneens een hulp zijn. Door specifieke informatie over hun leden te verzamelen, zouden partijen actiever en meer gericht op zoek kunnen gaan naar hun potentiële inbreng. Een focusgroep waarvoor bijvoorbeeld alle geïnteresseerde artsen die lid zijn van de partij worden uitgenodigd, is zo een snelle manier om het aanwezige potentieel in de partij i.v.m. gezondheidszorg aan te boren. Wellicht is dit ook een efficiëntere manier om informatie in te winnen dan verder te gaan op berichten allerhande via sociale media. Op die manier zouden partijen het vooralsnog onontgonnen human capital dat de basis vertegenwoordigt beter kunnen valoriseren.

Conclusie

Partijleden blijven onontbeerlijk voor partijen, maar het is niet zozeer de grootte van het ledenbestand dat ertoe doet, maar wel de activiteitsgraad van die leden en de mate waarin partijen slim gebruik kunnen maken van de kwaliteit van die actieve leden.

Tom Schamp, Bram Wauters en Carl Devos

Politicologen verbonden aan het Ghent Association for the Study of Parties And Representation van de Universiteit Gent

Onze partners