23/10/13 om 09:09 - Bijgewerkt om 09:09

De merkwaardige oefening van Paul De Grauwe

De Leuvense hoogleraar Paul De Grauwe keert zich tegen een verlaging van de werkgeversbijdragen die gecompenseerd wordt met een BTW-verhoging. Valabele argumenten wisselt hij daarbij af met fouten en lacunes in de argumentatie.

Paul De Grauwe publiceerde zonet een opmerkenswaardige analyse in de bekende reeks van Leuvense Economische Standpunten (2013/138). De paper draagt de titel 'Zin en onzin van een verlaging van de patronale lasten'. Zoals wel vaker bij de nu aan de London School of Economics verbonden econoom laat De Grauwe ook deze keer weinig twijfel bestaan over zijn conclusies.

De voorstanders van een verlaging van de werkgeversbijdragen te compenseren met een BTW-verhoging moeten, aldus De Grauwe, 'ophouden met de illusie te scheppen dat loonkosten kunnen dalen door een technische ingreep in de manier waarop de overheidsuitgaven worden gefinancierd ... Een significante vermindering van de loonkosten komt er slechts als het overheidsbeslag daalt'.

De Grauwe bouwt zijn argumentatie in essentie op rond twee punten. Ten eerste merkt hij op dat er in de EU geen enkel verband bestaat tussen de hoogte van werkgeversbijdragen en de maandelijkse loonkosten. Ten tweede wijst hij er op dat de BTW-verhoging op diverse manieren tot verhoging van de prijzen, en dus ook de lonen, zal leiden waardoor de hele operatie op termijn geen noemenswaardig effect zal te zien geven op de relatieve loonkosten en dus ook de tewerkstelling. We gaan op beide punten in maar wijzen eerst op een opvallende lacune in de argumentatie van De Grauwe.

Nergens verwijst hij immers naar het effect van een verlaging van de werkgeversbijdragen gecompenseerd door een BTW-verhoging op onze export. Zoals bekend is export de levensader bij uitstek van onze economie, zeker in Vlaanderen. Verlaging van de werkgeversbijdragen verlaagt de kostprijs en verhoogt het competitief vermogen van de ondernemingen à 100% vermits op export geen BTW geheven wordt. De economische groei en de tewerkstelling zullen via het export-kanaal significant aangezwengeld worden, net als trouwens de winstgevendheid van de exporterende bedrijven en dus hun vermogen tot investeren en innoveren.

Het eerste van De Grauwe's argument - er is geen verband tussen werkgeversbijdragen en loonkosten - is onzin. De Europese landen financieren hun sociale zekerheid op diverse manieren. Sommige landen grijpen daarbij uitgebreid naar sociale zekerheidsbijdragen vanwege de werkgevers, andere doen dat veel minder of zelfs helemaal niet. België behoort tot de landen die wel uitgebreid terugplooien op werkgeversbijdragen die dan ook een belangrijk onderdeel uitmaken van de loonkost. Verlaag deze werkgeversbijdragen en je verlaagt de loonkosten waardoor, bijvoorbeeld, de tewerkstelling zal aangezwengeld worden. De Grauwe bewijst iets dat irrelevant is in de context van het inschatten van de sociaal-economische impact van werkgeversbijdragen.

Wel een punt heeft De Grauwe met zijn tweede argument: een BTW-verhoging zal op diverse wijzen tot prijsverhogingen leiden die via het indexmechanisme terug tot stijging van de loonkosten zal leiden. Het is echter zeer twijfelachtig of op deze wijze de verlaging van de werkgeversbijdragen compleet ongedaan zal gemaakt worden, onder meer omdat de verlaging van de werkgeversbijdragen ook zal aanleiding geven tot prijsdalingen. Een BTW-verhoging moet hoe dan ook best gepaard gaan met een selectieve des-indexering. Helemaal gelijk heeft De Grauwe als hij stelt dat het ideale scenario er in bestaat de lasten op arbeid te verlagen door een vermindering van het overheidsbeslag: 'Als we minder loonkosten willen hebben dan moeten de globale overheidsuitgaven, inclusief de uitgaven voor sociale zekerheid, naar beneden'.

Heeft De Grauwe overschot van gelijk met dit laatste punt dan blijft er het feit dat een dergelijke aanpak politiek uitermate moeilijk ligt, vandaag en allicht ook morgen. Wil je qua tewerkstelling en concurrentievermogen op korte termijn ingrijpend de bakens verzetten dan blijft de piste van een substantiële verlaging van de werkgeversbijdragen (dus niet het minimalisme eigen aan Di Rupo I) te compenseren met BTW-verhogingen (of schrapping van uitzonderingsmaatregelen in de BTW-regeling) een erg valabele denkoefening.

Lees meer over:

Onze partners