Stefaan Pleysier
Stefaan Pleysier
Docent jeugdcriminologie aaan het Leuvens Instituut voor Criminologie (KU Leuven)
Opinie

29/08/14 om 14:49 - Bijgewerkt om 14:49

Bedelaars zijn niet welkom in de smetvrije binnenstad: die is er voor consumptie en vermaak

Veel meer dan een bedreiging van de openbare orde en veiligheid wordt bedelen in onze steden gezien als ongepast en ongewenst, schrijft Stefaan Pleysier, docent jeugdcriminologie aan de KUL. 'Stadscentra staan in het teken van toerisme, consumptie en vermaak.'

Het Noorse parlement keurde onlangs een 'ophefmakend voorstel' goed waarmee een verbod op bedelen in Noorwegen werd ingesteld. Deze maatregel verdeelt voor- en tegenstanders. Voorstanders van het bedelverbod wijzen op de link tussen bedelaars enerzijds en criminaliteit anderzijds, terwijl het volgens critici een ronduit 'beschamende maatregel' is die de meest kwetsbaren in de samenleving straft. De discussie overschrijdt de grenzen van Noorwegen en is ook voor ons land relevant.

In België kon bedelarij en landloperij via een wet uit 1891 worden beteugeld, maar die wet werd in 1993 uit het strafwetboek geschrapt. Sindsdien zijn ook in het Belgische parlement herhaaldelijk voorstellen tot een (herinvoering van het) bedelverbod ingediend maar even vaak afgewezen. Bedelen en het beroep doen op de solidariteit van andere burgers is een recht. Wat niet mag en nog steeds strafbaar is, is het aanzetten van personen tot en exploiteren van bedelarij. Indien het daarbij gaat om minderjarigen en andere kwetsbare personen dan geldt dat ook als een strafverzwaring.

Recupereren via GAS

Niettemin lijkt het erop dat steden en gemeenten dit oude en afgeschafte bedelverbod willen recupereren via de gemeentereglementen en het systeem van de gemeentelijke administratieve sancties of GAS-boetes. Zo is het in mijn eigen stad, Leuven, en in verschillende andere steden en gemeenten, verboden om in een bepaalde perimeter van de binnenstad te bedelen. Volgens de website van de Leuvense politie is dit bedelverbod noodzakelijk omdat bedelen vaak 'een dekmantel is om gauw- of winkeldiefstallen te plegen', en sommige bedelaars er ook een 'nogal opdringerige, soms zelfs agressieve bedeltechniek' op nahouden. Dit gemeentereglement laat toe om, aldus de stad, op te treden tegen dergelijke misbruiken.

Nochtans heeft de Raad van State, vaak op verzoek van de Liga voor Mensenrechten, al verschillende gemeenten teruggefloten die via vergelijkbare reglementen en argumenten het bedelen op hun grondgebied willen verbieden.

Bovendien zijn de uitwassen en misbruiken waarover steden en gemeenten het vaak hebben veel beter aan te pakken via de bestaande artikelen in de strafwet dan door, en dat lijkt toch logisch, het uitschrijven van een geldboete aan een bedelaar. Steden en gemeenten kunnen echter wel ingrijpen wanneer het bedelen zou leiden tot een ernstige verstoring van de openbare orde en veiligheid. Allicht is dat de reden waarom bijvoorbeeld Gent en ook een aantal andere gemeenten het adjectief 'hinderlijk' hebben toegevoegd aan hun gemeentereglement. Het bedelverbod is dan niet 'algemeen', maar enkel voor het bedelen op een hinderlijke, opdringerige of agressieve wijze.

Onveilig of hinderlijk voor consumptie en vermaak?

De vraag rijst echter of het echt een zaak van openbare orde en veiligheid is. Als dat zo zou zijn, is het dan niet vreemd dat dit (hinderlijk) bedelen in sommige steden kennelijk enkel een bedreiging van die openbare orde is wanneer het zich afspeelt in een bepaald deel van de stad? De 'perimeter' waarover bijvoorbeeld sprake in het Leuvense politiereglement, suggereert dat bedelen aanleiding kan geven tot overlast enkel wanneer dit gebeurt in die straten in het stadscentrum met een in hoofdzaak commerciële functie. Veel meer dan een bedreiging van de openbare orde en veiligheid wordt bedelen in onze steden gezien als ongepast en ongewenst. Stadscentra staan in het teken van toerisme, consumptie en vermaak. De publieke ruimte wordt ingericht om dat doel te dienen en elke vorm van sociale frictie of storing te weren.

Bedelaars, maar bijvoorbeeld ook 'hangjongeren', passen niet in dit schema: zij gebruiken de publieke ruimte niet op de 'afgesproken' manier. In die steriele en smetvrije binnenstad zijn ze niet op hun plaats: ze vervuilen het straatbeeld en geven andere burgers een onbehaaglijk gevoel.

Hoe anders valt te verklaren dat bedelen blijkbaar kwalijker is wanneer het bijvoorbeeld in Gent gebeurt 'gebruik makend van dieren', of in Leuven of Antwerpen wanneer men 'door het vertonen van lichaamsgebreken, verwondingen of verminkingen de liefdadigheid van de voorbijgangers of aanwezigen opwekt'. Niet alleen worden onverzorgde of 'onzuivere' elementen uit het stadsbeeld verbannen, men stigmatiseert en criminaliseert de bedelaar ook omwille van zijn 'anders zijn'.

Ondraaglijk

Het doet denken aan 'Les yeux des pauvres', een binnen de stadssociologie vaak geciteerd gedicht van Baudelaire (1869). In dat gedicht sluiten hij en zijn geliefde een romantisch avondje uit af op het terras van een Parijs' café. De perfecte avond, totdat ze 'gestoord' worden door de hongerige blikken van een in lompen gekleed drietal 'waaruit alleen maar doffe ellende spreekt'. Baudelaire schaamt zich, over hun 'glazen en karaffen groter dan hun dorst', maar meer nog over de woede-uitbarsting van zijn geliefde: 'Die mensen daar vind ik echt onverdraaglijk met hun ogen als openstaande koetspoorten! Zou je de eigenaar niet kunnen vragen ze weg te sturen?'.

Verliest de 'publieke' ruimte, waarin men elke storing of onaangenaam contact in de ogen van een deel van het publiek uitsluit ten nadele van die 'andere', niet haar essentieel publiek karakter?

De Liga voor Mensenrechten concludeerde eerder reeds terecht dat het uit de stad bannen van maatschappelijk zwakke personen en straffen van armen via een bedelverbod weinig blijk geeft van solidariteit. Bovendien miskent een stad zo haar eigen stedelijkheid, en zet ze het sociale beleid en de strijd tegen armoede bewust in de schaduw van kortzichtige, repressieve en op uitsluiting gerichte keuzes.

Onze partners