Alexander De Croo
Alexander De Croo
minister van Pensioenen (Open-VLD)
Opinie

29/11/13 om 13:59 - Bijgewerkt om 13:59

Alexander De Croo: 'Pensioenen stap voor stap hervormen is aanpak die wel degelijk werkt'

De stelling dat geen enkel land zo weinig inspanningen heeft geleverd om de pensioenproblematiek aan te pakken strookt niet met de feiten.

Alexander De Croo: 'Pensioenen stap voor stap hervormen is aanpak die wel degelijk werkt'

Alexander De Croo © Dimitri Van Zeebroeck

Volgens minister van Pensioenen Alexander De Croo (Open VLD) klopt het niet dat geen enkel ander land zo weinig inspanningen heeft geleverd om de pensioenproblematiek aan te pakken, zoals af te leiden viel uit het driejaarlijks OESO-rapport Pensions at a Glance.

De conclusie dat geen enkel land zo weinig inspanningen heeft geleverd om de pensioenproblematiek aan te pakken strookt niet met de feiten. De conclusie is gebaseerd op basis van een vlugge lezing van de classificering die de OESO gebruikt. Zoals beschreven, gebruikt de OESO zeven types maatregelen die men kan nemen op het vlak van pensioenbeleid. Het OESO-kader is evenwel descriptief, niet normatief. Het gaat met andere woorden niet over een checklist van maatregelen die in een of andere vorm genomen zouden moeten worden, maar om een catalogisering van alle maatregelen die inzake pensioenen effectief genomen werden in de OESO- en G20-landen.

Sommige van deze categorieën zijn niet relevant voor de Belgische pensioenproblematiek omdat zij ofwel op de eerste plaats betrekking hebben op landen waar tweede en derde pijlersystemen een heel belangrijke rol spelen in pensioenvoorziening, ofwel vooral van belang zijn voor "emerging countries" met nog niet volwassen wettelijke pensioensystemen.

Bovendien houdt de OESO slechts beperkt rekening met de pensioenmaatregelen die tijdens deze legislatuur zijn doorgevoerd. Een hele reeks maatregelen zijn slechts gedeeltelijk (hervorming van het vervroegd pensioen) of helemaal niet (verstrenging van gelijkgestelde periodes, de nieuwe pensioenbonus, het verruimen van toegelaten arbeid, de hervorming van de Inkomensgarantie voor Ouderen, de recente welvaartsaanpassingen van de laagste pensioenen) meegenomen in de analyse. Reden is dat deze maatregelen nog niet in uitvoering waren of niet volledig afgerond waren op het moment van de redactieperiode van het rapport.

De categorieën waarover de OESO zich uitspreekt zijn: dekking, adequaatheid, houdbaarheid, werkincentives, administratieve efficiëntie, diversificatie/veiligheid en anderen.

Zo is bijvoorbeeld de categorie 'dekking' voor België minder relevant omdat onze drie wettelijke pensioenstelsels vandaag al zowat alle Belgen dekken en er voor de anderen al de Inkomensgarantie voor Ouderen bestaat. De tweede pijler voor werknemers is bovendien gegroeid van ongeveer 33% in 2003 naar ongeveer 70% in 2013. De tweede pijler voor zelfstandigen is gegroeid van ongeveer 25% in 2002 naar meer dan 50% in 2013.

Bij de categorie 'adequaatheid' heeft de OESO dan weer geen rekening gehouden met de hervorming van de Inkomensgarantie voor Ouderen, de gelijkschakeling van het gezinsbedrag gewaarborgd minimumpensioen voor zelfstandigen en de welvaartsaanpassing omdat deze nog niet in uitvoering waren op het moment van redactie.

Nog een derde voorbeeld: op het vlak van 'diversificatie' kan België weinig bijkomend hervormen omdat het nu al voluit inzet op een vierledige pensioenstrategie: een sociaal duurzame en financieel houdbare eerste pijler, een steeds belangrijker wordende tweede pijler, een bijzonder succesvolle derde pijler (ingevoerd door een liberaal minister van Financiën in de jaren '80) en de stimulering van woningbezit.

Bovendien is er nog een groot bijkomend hervormingspakket in voorbereiding (overlevingspensioen, laatste beroepsmaanden, eenheid van loopbaan en pensioenen voor grensarbeiders). Deze hervormingen kregen maandag jongstleden een unaniem positief advies van de sociale partners in het Beheerscomité van de Rijksdienst voor Pensioenen. Hier kon de OESO vanzelfsprekend nog geen rekening mee houden. Ook wat betreft de tweede pijler zijn de sociale partners met elkaar in gesprek.

Wat de zogenaamde 'afhankelijkheid van de staat' betreft, moet toch opgemerkt worden dat een hoog inkomensdeel uit pensioenen niet hetzelfde is als een zuivere afhankelijkheid van de staat. De grote meerderheid van de betrokkenen in ons land hebben jarenlang zelf bijgedragen voor hun pensioen. Het gaat over rechten, niet over liefdadigheid.

Wat vooral opvalt is hoe weinig Belgische 65-plussers afhankelijk zijn van inkomen uit werk. Dit aandeel is één van de laagste in de OESO-landen. Dit is positief omdat het erop wijst dat gepensioneerde Belgen niet moeten gaan werken om rond te komen. Dit moet zo blijven. Als gepensioneerden willen gaan werken, dan moet dit aangemoedigd worden. Het mag echter niet een oplossing zijn voor de financieringsproblematiek van de pensioenen. Belangrijk om weten is ook dat de OESO bij de berekening van de inkomensdelen geen rekening houdt met inkomen uit onroerend goed, noch met eigen woningbezit dat in ons land bij de hoogste is van alle West-Europese landen.

Delen

Pensioenen stap voor stap hervormen is aanpak die wel degelijk werkt

Alexander De Croo

De lagere vervangingsgraad van onze pensioenen waarop het rapport wijst, wordt voor een groot stuk verklaard door onze vroege uittredingsleeftijd. Deze leidt ertoe dat Belgen ofwel een kleine loopbaanbreuk hebben en dus gemiddeld een lager pensioen, ofwel een groot aantal gelijkgestelde jaren aan weliswaar het laatste (geïndexeerde) loon, maar dat is dan wel een loon dat niet meer geniet van de loonstijgingen. De conclusie is bijgevolg duidelijk. Als 65-plussers relatief gezien een groter inkomen willen ten aanzien van actieven, dan moeten ze langer werken en later uittreden. Deze statistiek ondersteunt dan ook de optie die de regering heeft genomen om vooral te focussen op het optrekken van de effectieve pensioenleeftijd.

Overigens, het cijfer dat de OESO gebruikt om de effectieve uittredingsleeftijd in ons land weer te geven, houdt jammer genoeg nog geen rekening met de hervormingen die de federale regering de jongste twee jaar heeft doorgevoerd, zowel op het vlak van de afbouw van de werkloosheidsuitkering met bedrijfstoeslag als het optrekken van de leeftijds- en loopbaanvoorwaarden voor het vervroegd pensioen. Deze maatregelen zullen een positieve impact hebben op de effectieve uittredingsleeftijd, maar de concrete effecten daarvan zijn slechts te beoordelen in latere edities van 'Pensions at a Glance'. Eerste cijfers geven wel aan dat in ons land zowel het aantal bruggepensioneerden als het aantal langdurig werklozen daalt.

Het armoederisico bij 65-plussers ligt volgens de OESO in 2010 op 11 %, net iets hoger dan bij de bevolking in zijn geheel (9,7%). Belangrijk om weten: deze tendens is dalend. Sinds 2007 nam het armoederisico bij 65-plussers volgens de OESO met 2,5% af, volgens de EU met 0,8%. Er zit dus vooruitgang in.

Verder dient opgemerkt dat de OESO voor de eerste keer de rol van woningbezit in kaart te brengt in de levensstandaard van gepensioneerden. Deze blijkt substantieel te zijn. In België huurt volgens de OESO slechts iets meer dan 10 % van de 65-plussers zijn woning. Ongeveer 75 % bezit zijn eigen woning. De andere 15 % zitten in andere regelingen (bv. vruchtgebruik). Voor West-Europa is dit een hoog woningbezit. Eigendom is het grootst in hogere inkomenscategorieën, maar ook in de lage categorieën bezit een groot percentage zijn eigen woning. Er is dus ongelijkheid op basis van inkomen, maar ze is minder groot dan gedacht.

Het is evenwel jammer dat de OESO voor ons land het alternatieve armoederisico met geïmputeerde huur niet heeft berekend. Voor een aantal landen is dat wel gebeurd met een substantiële daling van het armoederisico als resultaat. Voor ons land, met een zeer hoog bezit van een eigen woning, zou de alternatieve berekening die rekening houdt met het huizenbezit zeker een significante daling van het armoederisico betekenen. Dat blijkt trouwens ook uit de projecties die de Studiecommissie voor de Vergrijzing hierover heeft gemaakt. Wel kan al geconcludeerd worden dat het woningbezit inderdaad een vierde pensioenpijler uitmaakt en zoveel mogelijk moet gestimuleerd worden. Er moet voor gezorgd worden dat eigenaars hun hypotheek hebben afbetaald voor ze op pensioen gaan. De OESO zelf is voorstander van het systeem van de omgekeerde hypotheek die 65-plussers toelaat hun woning te gelde te maken op hun oude dag.

Wil bovenstaande zeggen dat niets nodig is op het vlak van pensioenhervorming? Integendeel. De belangrijkste conclusie van de OESO is ook de lijn van de regering: de uittredeleeftijd ligt in ons land te laag en moet stelselmatig worden opgetrokken. De regering doet dit door enerzijds vervroegde uittredingsmechanismen af te bouwen en anderzijds de band tussen werken en pensioenopbouw te versterken. Aan de sociale partners wordt gevraagd om intussen in te zetten op werken werkbaar maken voor oudere werknemers.

Deze hervormingsaanpak wordt stap voor stap uitgetekend en ingevoerd, inspanningen die ook de volgende jaren zullen moeten worden aangehouden.

Lees meer over:

Onze partners