20/11/12 om 09:22 - Bijgewerkt om 09:22

Begrotingsakkoord haalt loondiscussie niet uit rijk der fabels

Het akkoord over loonmatiging stelt bitter weinig voor. We zullen ons moeten blijven verzoenen met een veel te lage tewerkstellingsgraad van onze beroepsbevolking.

Begrotingsakkoord haalt loondiscussie niet uit rijk der fabels

© Belga

De regering gaat de lonen voor twee jaar bevriezen met behoud van het automatisch loonindexeringssysteem. Ook baremieke verhogingen blijven intact en tevens gaan de minimumlonen omhoog. Men gaat er binnen Di Rupo I van uit dat deze ingrepen moet volstaan om de helft van de opgelopen handicap inzake loonkosten ten opzichte van de drie buurlanden weg te werken. Dat lijkt niet enkel erg optimistisch, het is dat ook. Dat de loonkostenhandicap dan tegen 2018 compleet zou moeten wegsmelten, is een puur fantasme.

De voorbije jaren kende België een systematisch hogere inflatie dan de buurlanden. Het kan dat daar de komende jaren verandering in komt, bijvoorbeeld door een aanpassing van de indexberekening (de witte producten van Johan Vande Lanotte). Het blijft echter afwachten wat de inflatie in de buurlanden gaat doen. Bovendien geldt inzake de loonvorming in de drie buurlanden geen automatisme ten aanzien van de inflatie zoals bij ons via de indexering. Gegeven de mindere gang van zaken in de economie zou het wel eens best kunnen dat de loonstijgingen in het buitenland beneden ons inflatiepeil blijven. Tot slot mag niet vergeten worden dat er in Frankrijk sprake is van een operatie ter verlaging van de loonkosten en dat de geplande belastingverlagingen in Duitsland zeker ook matigend zullen inwerken op de eisen inzake brutolonen.

Omtrent de omvang de loonkostenhandicap zorgde ABVV-baas Rudy De Leeuw voor enige consternatie door met een uitgestreken gezicht te verkondigen dat die handicap niet 5,2% is maar slechts 1,8% omdat geen rekening wordt gehouden met allerhande loonkostenverlagende maatregelen in het verleden door de regeringen genomen. Er lijkt hier wel enige acute spraakverwarring te bestaan want de regering zegt nu dat ze de loonkostenhandicap van 5,2% met 1,8% wil corrigeren omwille van de bestaande subsidiëringen.

Drie bemerkingen dringen zich hier voorts op. Ten eerste, de verwerking van loonsubsidies in de Eurostat-cijfers is inderdaad niet erg duidelijk. Feit is evenwel dat er ook in onze buurlanden flink wat maatregelen bestaan in de sfeer van subsidiëring ter verlaging van de loonkosten. Het is volkomen gratuite te beweren dat die bij ons relatief gezien veel belangrijker zijn dan bij de buren. Ten tweede, De Leeuw geeft zelf aan dat het gaat om de evolutie van de loonkostenhandicap sedert 1996. Alles wijst er op dat er in 1996 reeds een behoorlijke loonkostenhandicap bestond die men uiteraard blijft meesleuren, ook anno 2012. Ten derde, ten opzichte van Duitsland is onze loonkostenhandicap veeleer in de grootorde van 10% of zelfs meer. Economisch is de handicap tegenover Duitsland belangrijker dan ten opzichte van de drie buurlanden. Qua afzetmarkt voor onze bedrijven is Duitsland nominaal belangrijker dan de twee andere buurlanden.

Het slopende overleg rond begroting en concurrentiepositie heeft er spijtig niet kunnen voor zorgen dat de hele discussie omtrent onze loonkostenhandicap kon weggehaald worden uit het rijk der fabels. We zullen ons dus moeten blijven verzoenen met een veel te lage tewerkstellingsgraad van onze beroepsbevolking.

Johan Van Overtveldt

Onze partners