21/04/08 om 12:00 - Bijgewerkt om 11:59

Architecten propageren de Chinese dictatuur

Speer, Iofan, Koolhaas: één pot nat

Architecten van het type Albert Speer, Boris Iofan of Philip Johnson zijn geen representanten van een verleden tijdperk, het zijn inwisselbare types, net zoals de convertibele Rem Koolhaas die voor de Chinese autocraten in het stof ging liggen om in Peking het propagandacentrum CCTV op te trekken.

Toen Ismail Kadare in de Albanese dictatuur probeerde te overleven en daarbij grote risico's nam, kwam hem dat later op het gehoon van een groot deel van de westerse intellectuele elite te staan, maar als een Koolhaas voor het oog van de wereld vrijwillig een dictatoriaal project omarmt en daar behalve veel roem ook een massa geld uit slaat, valt dezelfde elite in zwijm van bewondering.

Deyan Sudjic heeft de compliciteit van architecten met dictaturen ongezouten samengevat in een van de slotzinnen van zijn boeiende essay 'De macht van het bouwen': 'Het werk (van de architecten) is afhankelijk van hun betrokkenheid bij de politieke context van de wereld. En in die wereld hebben de totalitaire heersers, de egoïsten en de maniakken in het verleden laten zien dat ze architecten ongeacht hun persoonlijke opinie meer gelegenheid voor creatief werk bieden dan progressieve democratieën.' In het verleden?

Philip Johnson noemde alle architecten, zichzelf incluis, hoeren. Met die hoeren was de oude fascist Johnson in 2001 omringd op zijn vijfennegentigste verjaardag in het restaurant van de Four Seasons van de Seagram Tower in New York: Frank Gehry, Arata Isozaki, Rem Koolhaas, Zaha Hadid en Peter Eisenman (nog wel de Amerikaanse architect van het Holocaust Memorial in Berlijn.) De aanwezigheid van al die architecten op dat bal der vampiers ter ere van een ouderling die op een extreme wijze de duistere kanten van de mens belichaamde, becommentarieert Sudjic zo: 'Hun aanwezigheid lijkt niet alleen te wijzen op een eerbetoon aan Johnson van hun kant, maar lijkt ook een gevoel over te dragen dat ze de zegening van de oude man aanvaarden, een soort handoplegging die hun carrière in de loop der tijd zeker heeft geholpen.'

Aan sinistere duidelijkheid laat dit niets te wensen over. Uit alle hoeken van de wereld waren de toparchitecten als volleerde heksen komen aanvliegen om hun tong in de tandeloze mond van de oude sadist te stoppen, de kwalijkste fascist, racist en antisemiet die het Amerikaanse gilde der architecten ooit heeft voortgebracht. Behalve een niet bijster originele bouwkundige carrière heeft Johnson ook een journalistieke loopbaan afgesloten, die in de jaren dertig totaal in dienst stond van Hitlers eindoverwinning. Alle krantenstukken die Johnson in zijn Europese jaren schreef, kun je lezen als een doorlopende pronazicampagne om Polen en Tsjechoslowakije onder de voet te lopen en om het Westen uit de klauwen van de joden te redden.

Vooral in dictaturen ruiken en krijgen heel wat architecten hun kans om de wereld naar hun grootschalige blauwdrukken en fantasieën te plooien. Dan kan het hen kennelijk geen barst meer schelen dat ze met mensen experimenteren, integendeel, in al hun grootheidswaan denken ze juist een goddelijk recht te hebben om mensenlevens te gebruiken als middelen om te voldoen aan hun artistieke verlangen tot zelfexpressie. Van hun onredelijkheid worden we ons pas bewust als we hun artistieke hypertrofieën overplanten naar een andere kunsttak, bijvoorbeeld naar de schilderkunst.

Zouden we Roger Raveel nog bewonderen als we levende dieren en mensen op zijn doeken zouden zien spartelen? Is het dan onjuist om in zo'n spartelende mens een zogenaamde wicker man te zien, een gigantische constructie van gevlochten takken in menselijke vorm waarin de Kelten hun gevangenen levend verbrandden?

Onze partners